ON-LINE WOORDEBOEK STELLINGWARFS-NEDERLAANS Mit zoe'n 5000 woorden mit verbuging en uutspraak. Op grond van Johan Veenstra zien "Stellingwarver Stiekelstokkies" diel 3 mit et bi'jbeheurende baantien en een peer stokkies uut diel 2. Veerder is nog gebruuk maekt van de "Kursus Stellingwarfs veur beginners" van Henk Bloemhoff, Zwaantje Kuiters-Keizer en Geert Lantinga. Mit de zuukfunctie van Jow browser koj' ok de Nederlaanse woorden vienen. Stoat d'r gien Nederlaans woord, dan is et geliek an et Stellingwarfse. De uutspraak staot tussen [] en daorbi'j bin de volgende tekens bruukt: ch - as g in Ndl. "goed" of ch in "lachen". e1 - stomme e as in "de" e7 - lange è zoonder dri'jchien zoas in Fries ê. ei - oongeveer as ee in Ndl. "weet". eo - as eu in Ndl. "geur". ey - ij zoas in Ndl. "kijk". ii - lange ie zoas ee in Engels "sweet". n1 - veurige klinker is nasaal en n wodt niet uutspreuken. nn - laange nn o - zoas o in Ndl. "bok". o1 - zoas o in Ndl. "hok". o3 - lange ò zoas a in Engels "all". o6 - korte ö zoas in Ndl. "löss". o7 - as eu in Ndl. neus, mar zoonder dri'jchien. q - as g in Ndl. "dagen". u1 - as oe in Ndl. "goed" u2 - zoas u in Ndl. "ruzie". ue - zoas uu in Ndl. "huur". y - ie zoas in ndl. "niet" A aachter - achter [aachte1r] aander - ander [aande1r] aandere - andere [aande1re1] aanderen - anderen [aande1rn] aanderhalve - anderhalve [aande1rhalve1] aanders - anders [aande1rs] aankel - enkel [aan1ke1l] aankels - enkels [aan1ke1ls] aansen - straks [aan1se1n] aarm - arm [aarm] aarme - arme [arme1] aarms - armen [aarms] acht - [acht] achte - acht half~[achte1] achttien - [achtyn] adverteensie - advertentie [atfe1rteen1sy] ae - och [e7] aekelik - akelig [e7ke1le1k] aekelike - akelige [e7ke1le1ke1] aemelen - zaniken [e7me1ln] aende - eind [e7nde1] aenlik - eigenlijk [e7n1le1k] aentien - eindje [e7ntyn] aep - aap [e7p] aeventuur - avontuur #[e7ve1ntuer] aeventuren - riskeren [e7ve1ntuern] aj' - als je [ay] aj'm - als jullie [aym] a'k - als ik [ak] akkederen - opschieten ~mit;overweg kunnen[ake1dearn] akkefietien - akkefietje [ake1fytyn] al - [al] al - wel [al] alderhaande - allerhande [ale1rhaande1] alderheiseliksten - verschrikkelijke [alde1rheyse1le1kste1n] alderslimste - alde1rslimste1 [alde1rslimste] algehiele - algehele [alche1hiile1] algemien - algemeen [alche1miin] allat - best te spreken [alat] alle - [ale1] allebeide - allebei [ale1beyde1] alledaegse - alledaagse [ale1de7chse1] allegeer - allemaal [ale1chear] allemachtig - geweldig[ale1machte1ch] allemachtigen - allemachtige geweldige[ale1machte1qe1n] alleman - [ale1man] allemaole - allemaal [ale1mo3le1] alles - [ale1s] alliend - alleen [aliint] allienig - alleen [aliine1ch] alteraosie - verwarring [alte1ro3sy] altied - altijd [altyt] altieten - altijd [altyte1n] alvaast - alvast [alfaast] alweer - [alvear] amperan - nauwelijks [ampe1ran] an - aan [an] anbelangt - aangaat [anbe1langt] anbeuden - aangeboden [anbo7dn] andacht - aandacht [andacht] angedaon - aangedaan [an1che1do3n] ankem - komende [an1kom] ankommen - aankomen [ankomm] ankomst - aankomst [an1komst] anleunhusien - aanleunhuisje #alle an-[anlo7nhu2syn] anmaeken - voortmaken [an1me7kng] anraeken - aanraken [an1re7kng] anstoot - [anstoot] anstruupt - aangetrokken kleding[an1stru2pt] anvieteren - aansporen [anfyte1rn] anwezen - aangewezen [anveezn] aodellike - adellijke [o3dle1ke1] aorig - aardig [o3re1ch] aorige - aardige [o3re1qe1] aoriger - aardiger [o3re1qe1r] aosem - adem [o3se1m] aovend - avond [o3bmt] aovens - 's avonds [o3bms] appat - eigenaardig [apat] appatte - aparte [apate1] appel - [ape1l] appelties - appeltjes [ape1ltys] arbeidersvrouwgien - arbeidersvrouwtje #[arbeyde1rsfrauchyn] arf - erf [arf] arg - erg [arch] argens - ergens [arqen1s] argeren - ergeren [arqe1rn] argste - ergst [archste1] as - als [as] asfalteerde - geasfalteerde [asfaltearde1] askebak - asbak [aske1bak] asof - alsof [as'o1f] at - [at] atten - aten [atn] auto - [autou] autogien - autootje [autouchyn] awwe - als wij [ave1] B baand - band [baant] baank - bank [baan1k] baantien - baantje [baantyn] baarm - berm [baarm] baarmhattige - barmhartige [baarmhate1qe1] baenseld - gesjokt [be7nslt] baentien - baantje [be7ntyn] bafferd - klap [bafe1rt] bak - [bak] bakkeri'je - bakkerij #[bake1reie1] bakkeri'jgien - bakkerijtje [bake1reichyn] bakkien - bakje [bakyn] bakte - [bakte1] balstien - kei [balstiin] bange - bang [bange1] banig - druk volhandig[baane1ch] banige - drukke [baane1qe1] baol - baal [bo3l] baord - baard [bo2rt] baos - baas [bo3s] baot - baat [bo3t] bar - subst.[bar] bar - adj.[bar] bars - pl.[bars] barg - berg [barch] barge - berg ik~[barqe1] bargen - bergen v.&s.pl.[barqng] bargien - bergje [barchyn] bargt - bergt [barcht] barrebiesies - barbiesjes [bare1bysys] bast - barst [bast] basten - barsten [bastn] bastende - barstende [bastnde1] bastte - barstte [baste1] in 't zolt bebeten - geroutineerd [intso1ltbe1beetn] bedaankt - bedankt [be1daangkt] bedaenk - bedenk ![be1de7ngk] bedaenkelik - bedenkelijk [be1de7ngke1le1k] bedarf - bederf [be1darf] bedarft - bederft [be1darft] bedarven - bederven [be1darbm] bedde - bed [bede1] bedocht - bedacht part.[be1do1cht] bedochtzem - bedachtzaam [be1do1chtse1m] bedoeling - bedoeling [be1du1ling] bedonderd - part.[be1donde1rt] bedreug - bedroog [be1dro7ch] bedreugen - bedrogen pret.pl.&part.[be1dro7qn] bedrieg - [be1drych] bedriege - bedrieg ik~[be1dryqe1] bedriegen - [be1dryqng] bedriegt - [be1drycht] bedrievighied - bedrijvigheid [be1dryve1chhyt] bedrokt - bedrukt [be1drokt] bedstee - bedstede [betstee] bedsteden - [betsteedn] bedude - beduid !&ik~[be1du2de1] beduded - beduid part.[be1du2de1d] bedudede - beduidde [be1du2de1de1] beduden - beduiden [be1du2dn] bedudet - beduidt [be1du2de1t] bedurf - bedierf #[be1de1rf] bedurven - bedierven [be1de1rbm] bedurven - bedorven [be1de1rbm] bedwang - [be1dvang] bedwingen - [be1dvingng] beerlag - pens lichaam[bealach] beet - v.[beet] beetholen - vasthouden #[beethooln] begin - en~[be1chin] beginnen - [be1chinn] begint - [be1chint] begon - [be1chon] begonnen - [be1chonn] begreut - doet verdriet [be1chro7t] begriep - begrijp [be1chryp] begriepen - begrijpen [be1chrypm] begroten - verdriet doen zielig vinden[be1chrootn] begrotelijk - meewarig [be1chroote1le1k] behaandelen - behandelen [be1haande1ln] behaffeld - opgepeuzeld [be1hafe1lt] behaffelde - oppeuzelde [be1hafe1lde1] behaffelt - peuzelt op [be1hafe1lt] behalven - behalve [be1halbm] beheurlik - behoorlijk [be1heorle1k] beide - [beide1] beidend - beide zn[beid1nt] bejaorde - bejaarde [be1jo2de1] bejaorden - bejaarden [be1jo2dn] bekeek - [be1keek] beken - [be1ken] bekend - [be1kent] bekende - [be1kende1] bekieken - bekijken [be1kykng] bekien - beekje [beekyn] beklumen - bekleumen [be1klu2mm] bekoegelen - bekogelen [be1ku1qe1ln] bekubben - bekappen [be1ke1bm] bekubbet - bekapt [be1ke1be1t] belaande - belandde [be1laande1] belaanden - belandden [be1laandn] belaant - belandt [be1laant] belane - beland ik~[be1laane1] belanen - belanden [be1laann] belangriek - belangrijk [be1langryk] beliede - belijd !&ik~[be1lyde1] belieden - belijden [be1lydn] belidt - belijdt [be1lit] bellen - [beld1n] belt - gebeld [belt] bemaelen - zich drukte op de hals halen [beme7ln] bemuuien - bemoeien [be1mu3jn] benaan - banaan [be1naan] benanen - bananen [be1naann] benauwd - [be1naut] benauwdens - benauwdheid [be1naudns] beneden - [be1needn] beneden - benijdden pret.[be1needn] beneden - benijd part.[be1needn] beneed - benijdde [be1neet] beniede - benijd [be1nyde1] benieden - benijden [be1nydn] beniedt - benijdt ?[be1nyt] beppe - oma [bepe1] beredden - beredderen [be1redn] berichien - berichtje [be1richyn] bericht - [be1richt] beschaefd - beschaafd [be1ske7ft] beschaemzem - beschaamd [be1ske7mse1m] bescharmvrouwe - beschermvrouw [be1skarmfraue1] beschikber - beschikbaar [be1skikbo2r] beschut - [be1ske1t] beschutebri'j - beschuitpap [be1sku2te1brei] beschutebusse - beschuitbus [be1sku2te1be1se1] beseffe - besef ik[be1sefe1] beslaon - beslaan [be1slo3n] besluten - besluiten [be1slu2tn] bessem - bezem [bese1m] bessempien - bezempje [bese1mpyn] bessems - bezems [bese1ms] best - [best] beste - [beste1] bestedede - besteedde [be1steede1de1] bestededen - besteedden [be1steede1de1n] bestelde - [be1stelde1] bestruund - beslopen part.[be1stru2nt] bestuverd - bestuiverd [be1stu2vrt] betaelen - betalen [be1te7ldn] beteerd - afgelopen goed~[be1teat] beten - pret.[beetn] beten - gebeten [beetn] beter - [beete1r] betien - beetje #[beetyn] beud - bood [bo7t] beuden - boden [bo7dn] beuden - geboden [bo7dn] beug - boog [bo7ch] beugen - bogen pret.[bo7qng] beugen - gebogen [bo7qng] beul - [bo7l] beul - loei ![bo7l] beulen - loeien [bo7ldn] beult - loeit [bo7lt] beult - schreeuwt [bo7lt] bevaalt - bevalt [be1faalt] bevliegings - bevliegingen [be1flyqings] bewarkelik - bewerkelijk [be1varke1le1k] beweegt - [be1veecht] bewege - beweeg ik~[be1veeqe1] bewegen - [be1veeqng] beweug - bewoog [be1vo7ch] beweugen - bewogen part.&pret.[be1vo7qng] bewies - bewijs [be1vys] bezukers - bezoekers [besu2ke1rs] bezunigen - bezuinigen [be1su2ne1gng] bezuuk - bezoek [be1su2k] bezwaor - bezwaar [be1svo2r] bezweek - [be1sveek] bezweken - part.&pret.[be1sveekng] bezwieke - bezwijk ik~[be1svyke1] bezwieken - bezwijken [be1svykng] bezwiekt - bezwijkt [be1svykt] bezwiet - bezweet [be1swyt] bidde - bid [bide1] bidded - gebeden part.[bide1t] biddede - bad [bide1de] bidden - [bidn] bidden - gebeden part.[bidn] biddet - bidt [bide1t] biebel - bijbel [bybe1l] biebellezen - bijbellezen [bybe1leizn] biede - bied !&ik~[byde1] bieden - [bydn] biele - bijl [byle1] bielegien - bijltje [byle1chyn] bien - been [biin] bienen - benen [biinn] biene - bind ik~[byne1] bienen - binden [bynn] bientien - beentje [biintyn] biesies - beestjes [biisys] bieden - [bydn] biest - draaft [biist] biesterbaorlike - wonderbaarlijk ~goed[byste1rbo2le1ke1] biete - bijt ik~[byte1] bieten - bijten [bytn] bieterige - bijterige [byte1re1qe1] biezunder - bijzonder #[byse1nde1r] big - [bich] bi'j - bij [bei] bi'j - ben je [bei] bi'jebietertien - mees [beie1bytrtyn] bi'jgeleuvige - bijgelovige [beiche1lo7ve1qe1] bi'jkotten - binnenkort #[beiko1tn] bi'jlanges - bij ~ langs [beilange1s] bi'j'm - zijn jullie [beim] bi'jtieden - soms [beitydn] bi'jveurbeeld - bijvoorbeeld [beifeobeelt] bin - ben [bin] binnen - zijn omdaj'~[binn] bint - bindt [bint] bit - bijt [bit] biwwe - zijn wij [bive1] bladziede - bladzijde [blatsyde1] blaedert - bladert [ble7de1rt] blaekeren - blakeren [ble7ke1rn] blaosde - blies [blo3sde1] blaose - blaas subst.[blo3se1] blaosontsteking - blaasontsteking [blo3sontsteiking] blaozen - blazen [blo3zn] blatties - blaadjes [blatys] blauw - [blau] blauwgien - blauwtje [blauchyn] bleef - [bleef] bleek - [bleek] bleken - [bleekng] bleken - gebleken [bleekng] bleven - pret.[bleebm] bleven - gebleven [bleebm] bliede - blij [blyde1] blief - blijf ~ik[blyf] bliekber - blijkbaar [blygbe1r] blieke - blijk ik~[blykne1] blieken - blijken [blykng] bliekt - blijkt [blykt] bliend - blind [blynt] blienddoek - blinddoek [blyndu1k] blieve - blijf ik~[bliibe1] blieven - blijven [bliibm] blift - blijft [blift] blik - [blik] bliksemse - drommelse [blikse1mse1] blinderse - drommelse [blinde1rse1] blinke - blink ik~[blingke1] blinken - [blingkng] blinkende - [blingke1nde1] blinkt - [blingkt] blodt - bloedt [blot] bloed - [blu1t] bloedde - [blu1de1] bloeden - [blu1dn] bloedede - bloedde [blu1de1de1] bloeded - gebloed [blu1de1d] bloeme - bloem [blu1me1] bloemen - [blu1mm] bloesies - blousjes [blu1sys] blokkedeuzen - blokkendozen #[blo1ke1do7zn] blokken - [blo1kng] blonderen - [blondearn] blonk - [blongk] blonken - [blongkng] blonken - geblonken [blongkng] bloot - [bloot] blote - [bloote1] bluui - bloei [blui] bluuide - bloeide [bluide1] bluuien - bloeien [bluidn] bluuiden - bloeiden [bluide1n] bod - bord [bo1t] bodden - borden [bo1dn] bodpepieren - kartonnen #[bo1tpe1piern] bödt - biedt [bo6t] boek - buik [bu1k] boek - [bu1k] boekeinbienen - boekeninbinden [bu1ke1imbynn] boekien - boekje [bu1kyn] boekies - boekjes [bu1kys] boel - [bu1l] boem - [bu1m] boer - [boer] boerebotter - roomboter [boere1bote1r] boeremoes - boerenkool [boere1mu1s] boereverstaand - boerenverstand [boere1fe1rstaant] boerinne - boerin [boerine1] boerkeri'je - boerderij [boerke1reie1] boerkeri'jgien - boerderijtje [boerke1reichyn] boertien - boertje [boertyn] boezeroen - [bu1ze1ru1n] bofferd - tulband koek[bofe1rt] bojem - bodem [boaie1m] bojempien - bodempje [boaie1mpyn] bok - [bok] boken - beukten #[bookng] bokselden - sjokten [bokse1ldn] boksen - [boksn] bolle - stier [bole1] bolle - brood [bo1le1] bollegien - bolletje #alle mei -ien/-ies[bo1le1chyn] bollen - stieren [boln] boltien - broodje [bo1ltyn] bolties - broodjes [bo1ltys] bomen - [boomm] bommegien - bommetje [bome1chyn] bongel - beuk d'rin gooid[bonge1l] bongelen - bengelen [bonge1ln] bonken - bonken [bongkng] bonken - benen ~breken[bongkng] bont - [bont] bookt - gebeukt [bookt] boom - [boom] boompien - boompje [boompyn] boonties - boontjes [boontys] boord - an~[boat] boortien - boortje [boartyn] boot - [boot] bopslenen - bobsleden [bopsleenn] bore - boor [boare] borrel - [bo1re1l] borreltien - borreltje [bo1re1ltyn] bos - de~[bos] bosschop - boodschap de[bo1skop] bossies - bosjes [bosys] bost - borst [bo1st] bostrok - borstrok [bo1stro1k] bosschoppen - boodschappen #[bo1skopm] boswallegien - boomwaltje [bosvale1chyn] boswallen - boomwallen [bosvaldn] bot - erg bot;adv.[bot] botte - erg adv.[bote1] bottien - bordje [bo1tyn] botties - bordjes [bo1tys] botien - bootje [bootyn] bouwen - [baudn] bouwlaand - bouwland [baulaant] bouwmannegien - kwikstaart [baumane1chyn] boven - [boubm] boverlief - bovenlijf #[boove1rlyf] boverste - bovenste [boove1rste1] braand - brand [braant] brak - ~op[brak] brakken - braken [brakng] branen - branden [braann] braod - braad [bro3d] braodde - braadde [bro3de1] braodden - braadden [bro3dn] braode - braad !&ik~[bro3de1] braoden - braden [bro3dn] braoden - gebraden [bro3dn] braodet - braadt [bro3de1t] bratse - hoop veel[bratse1] breek - [breek] breiden - breien [breydn] breke - breek ~ik[breeke1] breken - [breekng] brekt - breekt [brekt] breng - [breng] brenge - breng ik~[brenge1] brengen - [brengng] brengt - [brengt] breuken - gebroken [bro7kng] breur - broer [breor] brief - [bryf] briefien - briefje f25[bryfyn] brieven - [brybm] bri'j - pap [brei] brille - bril [brile1] brobbels - druppels ~zweet[brobe1ls] brocht - gebracht [bro1cht] brocht - bracht ~ik[bro1cht] brochte - bracht [bro1chte1] brochten - brachten [bro1chtn] brodsige - broeierig [brotse1qe1] broek - [bru1k] broekien - bosperceeltje [bru1kyn] broekzetten - ertegenaan ~moeten[bru1ksetn] broesde - bruiste [bru1zde1] broest - bruist [bru1st] broezen - bruisen [bru1zn] brogge - brug [broqe1] brokke - brok [bro1ke1] brokkien - brokje [bro1kyn] brommels - bramen [brome1ls] brommer - [brome1r] brude - broed !&ik~[bru2de1] bruded - gebroed [bru2de1t] bruden - broeden [bru2dn] brudet - broedt [bru2de1t] bruke - gebruik ik~[bru2ke1] bruken - gebruiken [bru2kng] brulloft - bruiloft [bre1lo1ft] brune - bruine [bru2ne1] bruud - broed [bru2d] bruudde - broedde [bru2de1] bruudden - broedden [bru2dn] bruuit - broeit [bru2yt] bruuk - gebruik [bru2k] bruukt - gebruikt [bru2kt] bruun - bruin [bru2n] bruunleren - bruinleren [bru2nlearn] buge - buig ik~[bu2qe1] bugen - buigen [bu2qn] buging - buiging [bu2qing] Buil - Boyl [buil] buis - [buis] buisie - kameraadje [bo5sy] buisies - kameraadjes [bo5sys] buit - [buit] bujje - bui [buie1] bulkerig - volgegeten ~in de huud[be1lke1re1ch] bulte - hoop [be1lte1] bun - bond [be1n] bunnen - bonden [be1nn] bunnen - gebonden [be1nn] buren - [buern] burg - borg [be1rch] burgemeester - [be1rqe1meiste1r] burgen - borgen [be1rqng] burgen - geborgen [be1rqng] burgermaansverstaand - burgermansverstand [be1rqe1maan1sfe1rstaant] buro - bureau [bu2rou] burogien - bureautje [bu2rouchyn] bus - reis~[be1s] buse - zak jas-&[bu2se1] busen - zakken jas-&[bu2se1n] busse - bus doos[be1se1] buten - buiten [bu2tn] butendat - bovendien [bu2tndat] butengewoon - buitengewoon [bu2tnche1voon] butenlaand - buitenland [bu2tnlaant] butenlaanse - buitenlandse [bu2tnlaan2se1] butenshuus - buitenshuis [bu2tnshu2s] buterdeure - buitendeur [bu2trdeore1] buug - buig [bu2ch] buugt - buigt [bu2cht] buugzem - buigzaam [bu2chse1m] buurman - #[buerman] buurt - [buert] buusdoek - zakdoek [bu2zdu1k] buusdoekien - zakdoekje [bu2zdu1kyn] buust - biest [bu2st] C cassettebaanties - cassettebandjes [kasete1baantys] cent - [sent] centen - [sentn] centevergriemeri'je - centenverknoeierij [sente1fe1rchriime1reie1] chef - [sjef] courant - [koerant] D daank - dank [daangk] daankber - dankbaar [daanggbo2r] daanken - danken [daangkng] daankzi'j - dankzij [daangksei] daanst - danst [daanst] daansen - dansen [daan1sn] daarmeuperaosie - darmoperatie [daarmeupe1ro3sy] daarms - darmen [daarms] dadde - derde [dade1] daddens - ten derde [dadns] daegelikse - dagelijkse [de7qe1le1kse1] daegen - dagen [de7qng] daegs - overdag [de7chs] daegs teveuren - de vorige dag #[de7chste1feorn] daele - neer [de7le1] daeleflappen - neervallen ~op stoel[de7le1flapm] daelekommen - neerkomen &langs-[de7le1komm] daelezetten - neerzetten [de7le1zetn] daenk - denk ~om[de7ngk] daenke - denk ik~[de7ngke1] daenken - denken [de7ngkng] daenkt - denkt [de7nkt] dag - [dach] daggien - dagje [dachyn] daj' - dat je [day] daj'm - dat jullie [daym] daj't - dat je het [dayt] da'k - dat ik [dak] dam - [dam] dammegien - dammetje [dame1chyn] dan - [dan] dangelen - slenteren [dange1ln] dangelt - slentert [dange1lt] daoder - dader [do3dr] daon - gedaan [do3n] daor - daar duer[do2r] daore - daar [do2re1] daorginderd - daarginder [do2rchinde1rt] daormit - daarmee [do2rmit] daornao - daarna [do2rno3] daorom - daarom [do2rom] daoromme - daarom [do2rome1] daotum - datum [do3te1m] dapper - [dape1r] dasse - sjaal [dase1] dat - [dat] datten - ditten en~[datn] dattien - dertien [datyn] dattig - dertig [datich] dawwe - dat wij [dave1] de - [de1] deden - [deedn] dee - deed [dei] deensdag - dinsdag #[deen1zdach] degelik - degelijk [deeqe1le1k] dele - deel dorsvloer[deele1] deken - [deekng] dekentien - dekentje [deekngtyn] der - her en~[der] des - ~te[des] deugt - [do7cht] deuk - dook [do7k] deuken - doken [do7kng] deuken - gedoken [do7kng] deupen - dopen [do5pm] deur - door #[deor] deure - deur #[deore1] deurgoeie - doodgoede [deorchu1je1] deurmakke - doodmakke [deormake1] deurtien - deurtje [deortyn] deurvleugen - doorgevlogen [deorflo7qn] deurvreugen - doorgevraagd [deorfro7qn] deusien - doosje [deusyn] deuze - doos [do7ze1] dezelde - dezelfde [de1zelde1] dichte - dicht [dichte1] die - [dy] diek - dijk [dyk] dielachtig - deelachtig [diilachte1ch] dielen - delen [diiln] diepe - diep adv.[diipe1] dier - [dier] diezige - nevelige [diiziqe1] diketen - [dikeetn] dikke - dik adv.[dike1] dikke - adj.[dike1] dikkerds - [dikrts] ding - [ding] dingen - [dingng] dinkies - dingetjes [dingkys] disse - deze [dise1] disser - dezer ~dagen[dise1r] dissiesmark - kraammarkt [disysmark] dit - [dit] docht - dacht [do1cht] docht - gedacht [do1cht] dochte - dacht ik~/hi'j~[do1chte1] dochten - dachte [do1chte1n] dochter - [do1chte1r] dödt - duidt [do6t] doe - toen [du1] doe - ik~[du1] doedeltien - doetje [du1dltyn] doefien - duifje [du1fyn] doej' - doet U [du1y] doej'm - doen jullie [du1ym] doeken - [du1kng] doel - [du1l] doem - duim [du1m] doemen - duimen [du1mm] doemschroeven - duimschroeven [du1mskruubm] doen - #[doen] doende - zo-[doende1] doewe - duif [duuve1] doezen - dommelen [duuzn] dokter - [do1kte1r] dolle - deur 't~[do1le1] dom - [dom] domkoppien - domkopje [domko1pyn] dommiet - straks dedelijk[do1myt] donder - [dondr] donderdag - [dondrdach] donderjaege - donderjaag ik~[dondrje7qe1] donken - dunken [dongkng] donker - [dongke1r] donkere - [dongke1re1] donkt - dunkt [dongkt] dood - #[doat] doodallienig - moederziel alleen [doataliine1ch] doodeernstig - doodernstig [doateernste1ch] doodgaon - doodgaan pr.pl![doatcho3ne1] doodgemoedereerd - [doatche1mu1de1reat] doodse - [doatse1] dooie - dode [doaje1] doolt - [doolt] doomnie - dominee [doomny] doomnies - dominees [doomnys] dörp - dorp [do6rp] dörpen - dorpen [do6rpm] dösk - dors [do6sk] döske - dors ik~[do6ske1] dösken - dorsen [do6skng] döskt - dorst v.[do6skt] döskte - dorste [do6skte1] döskten - dorsten graan~[do6sktn] döst - gedorst [do6st] dot - doet [do1t] doukies - dadelijk [daukys] douwelties - doetjes [daue1ltys] d'r - er [de1r] draank - drank [draangk] Drachten - [Drachtn] draef - draaf [dre7f] draeft - draaft [dre7ft] draeven - drave [dre7bm] draeversbaene - drafbaan [dre7ve1rsbe7ne1] dragonder - [drachondr] dreeg - draag [dreech] dreef - [dreef] dreegt - draagt [dreecht] dreet - scheet [dreet] drege - draag ik~[dreeqe1] dregen - dragen inf.[dreeqng] drekt - direct [drekt] dreten - scheten pret.[dreetn] dreten - gescheten [dreetn] dreug - droeg [dro7ch] dreugde - droogde [dro7qde1] dreuge - droog adv.[dro7qe1] dreuge - droge adj.[dro7qe1] dreugen - droegen [dro7qng] dreugen - gedragen part.[dro7qng] dreun - [dro7n] dreutelkonte - treuzelaar [dro7tlkonte1] dreven - [dreebm] dreven - gedreven [dreebm] drie - [dry] driefdeurnat - kletsnat [dryvdeornat] drieje - drie [dryje1] drienend - drieën mit 'n~[dryde1n] driekwat - driekwart [drykvat] drienend - drieën [drynnt] drienendattig - drieëndertig [drydndate1ch] drienentachtig - drieëntachtich [drydntachte1ch] drief - drijf [driif] driest - [dryst] drieten - schijten [drytn] drieve - drijf ik~[driive1] drieven - drijven [driibm] drift - drijft [drift] dri'j - draai [drei] dri'jd - gedraaid [dreit] dri'jde - draaide [dreide1] dri'jen - draaien [dreidn] dri'jende - draaiende [dreidnde1] dri'jmeule - draaimolen [dreimo7le1] dri'jt - draait [dreit] d'rin - erin [de1rin] dring - [dring] dringt - [dringt] dringen - [dringng] dringt - [dringt] drink - [dringk] drinke - drinke ik~[dringke1] drinken - [dringkng] drinkt - [dringkt] drit - schijt v.[drit] drok - druk adv.[drok] drokke - drukke adj.[droke1] drokken - drukken [drokng] drokt - drukt [drokt] drokte - drukte [drokte1] drokten - drukten [droktn] dromen - [droomm] drommen - subst.[dromm] drong - [drong] drongen - [drongng] drongen - gedrongen [drongng] dronk - [drongk] dronken - pret.[drongkng] dronken - gedronken [drongkng] droom - [droom] droomd - [droomt] droomde - [droomde1] drumpel - drempel [dre1mpl] drup - [dre1p] druppen - [dre1pm] dubbele - [de1be1le1] dude - duid !&ik~[du2de1] duded - geduid [du2de1t] dudelik - duidelijk [du2dle1k] dudelikhied - duidelijkheid [du2dle1khyt] duden - duiden [du2dn] duj - dooi [deu] dujjen - dooien #[deue1n] duke - duik ik~[du2ke1] duken - duiken [du2kng] dun - [de1n] dunen - duinen [du2nn] dunne - dun adv.[de1ne1] durf - [de1rf] durfd - gedurfd [de1rft] durft - [de1rft] durve - durf ik~[de1rve1] durven - [de1rbm] dus - [de1s] dust - durfde [de1st] dust - dorst subst.[de1st] duud - duid [du2t] duudde - duidde [du2de1] duudden - duidden [du2dn] duuk - duik [du2k] duukt - duikt [du2kt] duur - [duer] duurde - [duede1] duurder - [duedr] duurt - [duet] duuster - donker duister[du2str] Duuts - Duits [du2ts] duvel - duivel [du2vl] duvels - duivels [du2vls] duzend - duizend [du3ze1nt] dwaelen - dwalen [dve7ln] dwaelings - dwalingen [dwe7lings] dwas - dwars [dvas] dwasbongel - dwarsbongel [dvasbonge1l] dweellochien - dwaallichtje [dveelochyn] dwing - [dving] dwinge - dwing ik~[dvingng] dwingen - [dvingng] dwingt - [dvingt] dwong - [dvong] dwongen - [dvongng] dwongen - gedwongen [dvongng] E e - de [e1] echt - [echt] echte - [echte1] echtpeer - echtpaar [echtpear] eek - azijn [eek] een - een [e1n] eerdaegs - eerdaags [earde7chs] eerdbeving - aardbeving [eadbeeving] eerder - [eade1r] eerlik - eerlijk [earle1k] eernstig - ernstig [earnste1ch] eerpelrooien - aardappelrooien [eape1lroain] eerpels - aardappels [eape1ls] eerpelties - aardappeltjes [eape1ltys] eers - anders [eas] eerst - [east] eerste - [easte1] eerstens - in de eerste plaats [easte1ns] eertieds - eertijds [eatyts] eetperblemen - eetproblemen #[eetpe1rbleemm] ei - [ey] eier - eieren [eye1r] eigen - [eyqng] eigenbakte - eigengebakken [eyqngbakte1] eigenwies - eigenwijs [eyqngvys] eigien - eitje [eychyn] eigies - eitjes [eychys] eindelik - eindelijk [eynde1le1k] eins - eigenlijk & einliks[eyn1s] eis - [eys] ekkelboom - eik [eke1lboom] ekster - [ekstr] elk - [elk] elke - [elke1] ellendige - [elende1qe1] elven - elf [elbm] emmertien - emmertje [eme1tyn] en - [en] enten - eenden [entn] ere - andere [eare1] erebeiebedde - aardbeienbed [eare1beye1bede1] eredaegs - de andere dag [eare1de7chs] eremorgens - de andere morgen [eare1morgngs] eren - anderen de~[eare1n] de ereweeks - de andere week [eare1veeks] es - eens [e1s] et - het [e1t] et - eet [et] ete - eet ik~[eite1] eten - [eitn] eten - gegeten [eitn] eteri'je - eterij [eite1reie1] etersbod - etensbord [eite1rzbo1t] etzelde - hetzelfde [e1tselde1] eulie - olie [o7ly] eupen - open [eupm] eupenbaor - openbaar [eupmbo2r] eupenen - openen [eupne1n] eupensleugen - opengeslagen [eupmsleugng] eupenst - openst [eupmst] eupent - opent [eupmt] euperaosie - operatie [eupe1ro3sy] eusgoed - afvalwater [o7schu1t] euvelmoed - [euvlmu1t] even - [eibm] evenpies - eventjes [eibmpys] ezel - [eizl] F fantesere - fantaseer ik~[fante1seare1] fantesie - fantasie [fante1sy] fantesienen - fantasiën [fante1synn] feest - [feist] feguren - figuren [fe1chuern] fesien - feestje [feisyn] fesoenlik - fatsoenlijk [fe1suun1le1k] fiel - wiel [fiil] fielseteerd - gefeliciteerd [fylse1teat] fien - fijn klein[fyn] te fieter nemen - voor de gek houden [te1fyt1rneemm] fiets - [fyts] fietse - fiets ik~[fytse1] fietst - [fytst] fietst - gefietst [fytst] fietste - [fytste1] fijn - mooi[feyn] fikken - vingers[fikng] fitnesszael - fitnesszaal [fitnesse7l] fladde - deugniet [flade1] fladden - flarden [fladn] flap - ~je[flap] flappen - v.[flapm] flapt - [flapt] flauw - [flau] flenellen - flanellen [fle1neln] flesse - fles [flese1] flesserekkien - flessenrekje #[flese1rekyn] flessien - flesje [flesyn] flink - [flingk] flits - [flits] flodderen - wassen [flo1de1rn] fluitend - [fluitnt] flut - flitst gaat[fle1t] flut - boel hoop[fle1t] fluttien - groepje [fle1tyn] flutterige - slappe dunne[fle1te1re1qe1] flutverhaelen - kletsverhalen #[fle1tfe1rhe7ln] fluusterd - gefluisterd [flu2strt] fluustren - fluisteren [flu2stre1n] foele - vinnige [fu1le1] foeleinige - felle [fu1leyne1qe1] foeleinigste - felste [fu1leyne1qste1] foetert - [fu1te1rt] fokmere - fokmerrie #[fo1kmeare1] fongen - gevangen [fongng] Fraanse - Frans [fraan1se1] fratsen - [fratse1n] Fries - [frys] G te gaaste - te gast ?[te1chaaste1] uut gaasten gaon - te gast gaan [u1tchaastencho3n] gaegel - gagel [che7ql] gaept - gaapt [che7pt] gaepen - gapen [che7pm] gaf - [chaf] gaffel - waffel mond[chafe1l] galgens - bretels [chalqe1n1s] galm - [chalm] galmen - [chalmm] galpende - gillende [chalpmde1] gang - [chang] gang - an e~[chang] gangen - [changng] gao - ga [cho3] gaoj'm - gaan jullie [cho3jim] gaon - gaan [cho3n] gaon - gegaan [cho3n] gaonde - gaande [cho3nde1] gaot - gaat &giet[cho3t] gaowe - gave [cho3ve1] garre - roe [chare1] gat - [chat] gaten - [chaatn] gaten - in de'[chaatn] gauw - [chau] gauwachtig - tamelijk gauw [chauachte1ch] gavven - gaven [chavm] gebeurd - [che1beort] gebeuren - [che1beorn] gebeurt - [che1beort] geboorteplakkien - geboorteplaatsje [che1boate1plakyn] gebouw - [che1bau] gebruuk - gebruik [che1bru2k] gedaachten - gedachten [che1daachtn] gedaenktekens - gedenktekens [che1de7ngkteekngs] gedienen - gordijnen [che1dynn] gedoente - omgang [che1duunte1] geduldig - [che1de1lde1ch] geef - te~[cheif] geef - ik~[cheif] geef - gaaf [cheif] geel - [cheel] geer - gaar [chear] geft - geeft [cheft] gehak - gehakt [che1hak] gehalte - [che1halte1] gehaspel - geruzie [che1haspl] geheim - [che1heym] geheister - drukte [che1heyste1r] gehiel - geheel [che1hiil] geite - geit [cheyte1] gek - [chek] gekaekel - gekakel [che1ke7kl] gekantstikkerig - gek-aanstekerig [chekantstike1re1ch]] gekhied - gekheid [chekhyt] gekilster - gepraat [che1kilstr] gekkeboel - [cheke1buul] geld - [chelt] gele - [cheele1] geleuf - geloof [che1leuf] geleuve - geloof ik~[che1leuve1] geleuven - geloven [che1leubm] geliek - gelijk [che1lyk] gellen - gelden [cheln] gelok - geluk [che1lok] gelokkig - gelukkig [che1loke1ch] geloksvoegels - geluksvogels [che1loksfu1qls] gelokzaelig - gelukzalig [che1lokse7le1ch] gelokzaolig - gelukzalig [che1lokso3le1ch] gelozie - horloge [che1loozy] gelt - geldt [chelt] geluud - geluid [che1lu2t] gemak - [che1mak] gemien - gemeen [che1miin] gemiente - gemeente [che1miinte1] gemienten - gemeenten [che1miintn] gemis - [che1mis] genas - [che1nas] genazzen - genazen [che1nazn] genees - [che1nees] geneest - [che1neest] geneut - genoot [che1no7t] geneuten - genoten pret.&part.[che1no7tn] geneze - genees ik~[che1neeze1] genezen - pres.pl.&part.[che1neezn] geniet - [che1nyt] geniete - geniet ik~[che1nyte1] genieten - [che1nytn] genoeg - [che1nu1ch] genoeglike - genoegelijke [che1nu1chle1ke1] genot - [che1no1t] gerak - deel wat je toekomt[che1rak] geriefelik - geriefelijk [che1ryfle1k] geriegerol - gewoel [che1riiqe1ro1l] gerieven - [che1riibm] gerust - [che1re1st] gesnaeter - gesnater [che1sne7tr] getoffel - geloop [che1tofe1l] geuren - [cheorn] geut - goot pret.[cho7t] geuten - goten pret.[cho7tn] geuten - gegoten part.[cho7tn] geutstien - gootsteen [cho7tstiin] geval - [che1fal] geveer - gevaar [che1fear] geveerlike - gevaarlijke [che1fearle1ke1] gevel - [cheive1l] geven - [cheebm] geven - gegeven [cheebm] gevulens - gevoelens [che1fu2lns] gevulig - gevoelig [che1fu2le1ch] gevuul - gevoel [che1fu2l] gevuulte - gevoel [che1fu2lte1] gewaogde - gewaagde [che1vo3qde1] geweer - gewaar &e2[che1vear] geweldig - [che1velde1ch] gewodden leuten - met rust laten [che1vo1dn'lo7tn] gewoepste - stevige persoon[che1vu1pste1] gewone - [che1voone1] gewoon - [che1voon] gewoonlik - [che1voonle1k] gewoonweg - [che1voon1vech] gezegde - zegswijze [che1zeqde1] gezichte - gezicht [che1zichte1] gezichten - [che1zichtn] geziever - gezeur [che1ziive1r] gezoep - gezuip [che1zu1p] gezond - [che1sont] gezondhied - gezondheid #[che1sonthyt] giebe - dwaalspoor [chybe1] gien - geen [chyn] gieniene - niemand [chyniine1] gier - uier [chier] giesel - val tuimeling[chyse1l] giet - [chiit] giete - giet ik~[chiite1] gieten - [chiitn] ginnegappende - [chine1chapmde1] glaansriek - glansrijk [chlaan1sryk] glad - [chlat] glaezen - glazen pl.[chle7zn] glaezen - glazen adj.[chle7zn] glassien - glaasje [chlasyn] gleden - [chleedn] gleden - gegleden [chleedn] gleed - [chleet] gleensterende - glinsterende [chleen1ste1rnde1] glidt - glijdt [chlit] gliede - glijd !&ik~[chlyde1] glied - glijd [chlyd] glieden - glijden [chlydn] glim - [chlim] glimme - glim ik~[chlime1] glimmen - [chlimm] glimt - [chlimt] gloep - gluip [chlu1p] gloepe - gluip ik~[chlu1pe1] gloepen - gluipen [chlu1pm] gloepend - erg bar[chlu1pmt] gloeperige - gluiperige [chlu1pe1re1qe1] gloept - gluipt [chlu1pt] glom - [chlom] glommen - [chlomm] glommen - geglommen [chlomm] glundige - wellustige [chle1nde1qe1] gnees - grijnsde [chnees] gnezen - grijnsden [chneezn] gnezen - gegrijnsd [chneezn] gnies - grijns [chniis] gnieze - grijns ik~[chniize1] gniezen - grijnzen [chniizn] gniffelt - [chniflt] gnist - grijnst [chnist] goed - [chu1t] goedens - goedheid [chu1dns] goedlachies - goedlachs [chu1tlachys] goeie - goede [chu1je1] goeiemorgen - goedenmorgen [chu1je1mo1rgng] goejige - goedige [chu1yiqe1] goelde - huilde [chu1lde1] goelen - huilen [chu1ln] goelt - huilt [chu1lt] goenend - sommigen [chu1nnt] gofferd - lomperik [chofe1rt] golf - [cho1lf] gong - ging [chong] gongen - gingen [chongng] gooi - [choai] gooid - gegooid [choait] gooien - [choaidn] goold - goud [choolt] goolden - gouden [chooldn] goorntien - veldje [choarntyn] göt - giet [cho6t] gotte - gort [cho1te1] gottenbri'j - gortepap [cho1tnbrei] graaien - [chraaidn] graanzen - grommen [chraan1zn] graeg - graag [chre7ch] graeven - graven pl.[chre7bm] grauwaten - kapucijners #[chrau'aatn] greef - graaf v.[chreef] greeft - graaft [chreeft] greens - grens [chrein1s] greep - [chreep] greide - weide [chreyde1] gremietig - grimmig [chre1myte1ch] grepen - [chreepm] grepen - gegrepen [chreepm] greuf - groef [chro7f] greuven - groeven [chro7vn] greuven - gegraven [chro7vn] greve - graaf ik~[chreeve1] greven - graven v.[chreevn] griemden - prutsten [chriimdn] griemen - prutsen knoeien[chriimm] griep - s.[chryp] griep - grijp ![chryp] griepe - grijp ik~[chrype1] griepen - grijpen [chrypm] gries - grijs [chrys] griezelig - [chriize1le1ch] grif - zeker [chrif] gript - grijpt [chript] grof - [chro1f] groot - [chroot] gröppe - greppel [chro6pe1] gröppe - grup [chro6pe1] grös - gras [chro6s] grösdreugeri'je - grasdrogerij [chro6sdro7qe1reie1] grote - [chroote1] groter - [chroote1r] grouwe - huivering [chraue1] grune - groene [chru3ne1] Grunniger - Groninger [chre1ne1qe1r] grut - klein~[chre1t] gruuien - groeien [chru2ydn] gruuit - groeit [chru2yt] gruun - groen [chru3n] gruuntetuun - groentetuin [chru3nte1tu2n] gul - gold [che1l] gulden - [che1ldn] gullen - golden [che1ldn] gullen - gegolden [che1ldn] gunt - [che1nt] H haand - hand [haant] haande - handen [haande1] haandel - handel [haande1l] haandelsmark - handelsmerk [haandlsmark] haandig - handig [haande1ch] haantien - handje [haantyn] haantiengauwe - handgauwe [haantynchaue1] haasems - in de herfst [haase1ms] haast - herfst [haast] haastmorgen - herfstmorgen #[haastmo1rqng] had - gehad [hat] had - ~ik[hat] hadde - had [hade1] hadden - [hadn] hadder - harder [hade1r] hadheurig - hardhorig [hatheore1ch] hadlopen - hardlopen [hatloopm] hadste - hardst om et~[hatste1] hadste - hardste [hatste1] haegel - hagel [he7ql] haegelbujjen - hagelbuien [he7qlbe1jdn] haegelt - hagelt [he7qlt] hael - haal ~ie[he7l] haeld - gehaald [he7lt] haelde - haalde [he7lde1] haele - haal ik~[he7le1] haelen - halen [he7ldn] haelt - haalt [he7lt] haemer - hamer [he7me1r] haene - haan [he7ne1] haenige - hanige [he7ne1qe1] haentien - haantje [he7ntyn] haeze - haas [he7ze1] haffelen - kauwen kies-[hafe1ldn] haffelen - praten er omheen~[hafe1ldn] haj'm - hadden jullie [haym] hak - [hak] hakken - [hakng] hal - [hal] half - [half] halfjaor - halfjaar [halfjo2r] halfnaekende - halfnaakte [halfne7kngde1] halfwassen - halfwas [halfvasn] halfwieze - mal gek[halvyze1] halfwollen - [halfvoln] hals - [hals] halve - [halve1] halvegere - gekke #[halve1cheare1] halvewies - gek [halve1vys] halvewieze - gekke [halve1vyze1] hampelmannen - brekebeenn [hamplmann] handelties - hendeltjes [handltys] hanebiendertien - zorgbehoevende [haane1byne1rtyn] hanen - handen [haann] hang - [hang] hange - hang ik~[hange1] hangen - [hangng] hangt - [hangt] haoke - haak [ho3ke1] haokies - haakjes [ho3kys] haor - haar [ho2r] haorscharp - haarscherp [ho2rskarp] haost - haast bijna[ho3st] haosten - haasten [ho3stn] happen - [hapm] happien - hapje [h6apyn] harbarg - herberg café[harbarch] harbarge - herberg café[harbarqe1] harken - subst.pl.[harkng] hatslag - hartslag [hatslach] hatstikke - hartstikke ![hatstike1] hatte - hart [hate1] hattelik - hartelijk [hate1le1k] hatten - herten [hatn] hatverlamming - hartverlamming [hatfe1rlaming] hawwe - hadden we [have1] heb - ~ik/~ie[hep] hebbe - heb !&ik~[hebe1] hebben - &hebm[hemm] hecht - ~ie[hecht] hede - heg [heede1] heden - gut uitroep[heidn] heden - ![heedn] heer - [hear] heerd - haard [heart] over de heerd - op bezoek [oove1rde1heart] heet - [heet] heft - [heft] heide - [heyde1] heiden - [heydn] heidens - heidenen [heydns] heilig - [heyle1ch] heit - vader [heyt] hej' - heb je [heje1] hej'm - hebben jullie [heje1m] hej't - heb je het [heje1t] hek - [hek] he'k - heb ik [hek] helden - [heldn] hellig - [hele1ch] helm - [helm] helmpien - helmpje [helmpyn] helms - helmen [helms] help - [help] helpe - help ik~[helpe1] helpen - [helpm] helpt - [helpt] helte - helft [helte1] hemd - [hemt] hemden - [hemdn] hemelsnaeme - hemelsnaam [heeme1lsne7me1] hen - hè [hen1] henne - heen [hene1] henne teld - neergeteld [hene1telt] henneenweer - heenenweer #[hene1en1vear] her - ~en der[her] herdaenkingsstien - herdenkingssteen [herdengkingstiin] herenhoentien - lieveheersbeestje [hearnhuntyn] herschrieven - herschrijven [herskriibm] het - heeft [het] heufd - hoofd [heuft] heufdstok - hoofdstuk [heuftstok] heufdzeerte - hoofdpijn [heuftseate1] heugen - [ho7qng] heugenschop - herinnering ~van[ho7qngskop] heur - hun pron.[heor] heur - hoor ![heor] heur - haar pron.&poss.[heor] heur - zich pron.[heor] heur - hun pron.poss.[heor] heur - hen pron.[heor] heur - hoor ~ik[heor] heurd - gehoord [heurt] heurde - hoorde [heurde1] heurden - hoorden [heurdn] heuren - horen [heurn] heurt - hoort [heurt] heurzels - haarzelf [heursels] hevetillen - drijftillen [heeve1tildn] hewwe - hebben we [heve1] hiel - heel [hiil] hiele - hele [hiile1] hielemaole - helemaal [hiile1mo3le1] hielendal - helemaal [hiile1ndal] de hieltied - telkens [de1'hieltyt] hiem - erf [hiim] hiemde - hijgde [hymde1] hiemen - hijgen [hymm] hiemende - hijgende [hymmde1] hiemt - hijgt [hymt] hier - [hier] hiere - hiero [hiere1] hiet - heet pres.[hiit] hiete - heet adj.[hiite1] hieten - geheten [hiitn] hiette - heette [hiite1] hi'j - hij hey[hei] nauw te hikken - moeilijk aan te pakken [naute1hikng] him - hem [him] himzels - hemzelf [himsels] hinder - [hindr] hingst - hengst &e[hingst] hinnikt - [hine1kt] hit - top~[hit] hobbelde - [hoblde1] hobbeltien - hobbeltje [hobltyn] hoe - [hu1] hoed - [huut] hoef - [hu1f] hoefde - [hu1fde1] hoeft - [hu1ft] hoej' - hoe je [hu1j] hoej'm - hoe jullie [hu1je1m] hoekien - hoekje [hu1kyn] hoe'n - wat voor een [hu1n] hoepels - [hu1pls] hoeve - hoef ik~[huuve1] hoeven - [huubm] hoevule - hoeveel [hu1fu2le1] hoge - [houqe1] hogerhaand - hogerhand #[houqrhaant hogerop - [houqrop] hoi - [hoy] hokke - hok [ho1ke1] hokken - stokken blijven steken[ho1kng] hokkien - hokje [ho1kyn] hol - [ho1l] hole - houd ik~[hoole1] holen - houden [houldn] holing - houding [houling] Hollaand - Holland #[ho1laant] Hollaans - Hollands [ho1laan1s] hollegien - holletje [ho1le1chyn] hond - [hont] honderd - [honde1rt] honderdvuuftig - honderdvijftig [honde1rtfu2fte1ch] hong - hing [hong] hongen - hingen [hongng] hongen - gehangen [hongng] honger - [honge1r] hongerig - [honge1re1ch] honneponne - honnepon #[hone1pone1] hontien - hondje [hontyn] hooghied - hoogheid [houchhyt] hoogste - [houchste1] hoogte - [houchte1] hoogtepunt - [houchte1pe1nt] hool - houd ~je&hoold[houl] hoolt - houdt [hoult] hooltgrepe - houdgreep [houltchreepe1] hoop - ~ik[hoop] hope - hoop ik~[hoope1] hopen - [hoopm] hoppe - paard liefkozend[hope1] horens - [hoarns] hotemetoten - hoge omes [hoote1me1tootn] hotsevodsen - stevige meiden #[hotse1fotse1n] hotsevodserige - corpulente [hotse1fotse1re1qe1] hotten - rukken [ho1tn] hottende - hortend [ho1tnde1] hottien - poosje [ho1tyn] how - stop ![hou] hozen - kousen [hoozn] huden - hoeden v.[hu2dn] huj - hooi [hui] hujjde - hooide [huide1] hujjen - hooien [huidn] hujjinge - hooioogst [huiinge1] hujmiete - hooimijt [huimiite1] hujwaegen - hooiwagen [huive7qng] huken - hurken [hu2kng] hul - hield [he1l] hullen - hielden [he1ldn] hullen - gehouden [he1ldn] hulp - hielp [he1lp] hulpe - hulp [he1lpe1] hulpen - hielpen [he1lpm] hulpen - geholpen [he1lpm] hummeltien - hummeltje [he1mltyn] hunen - honen [hu2nn] hup - ![he1p] hups - [he1ps] hupse - [he1pse1] hure - huur ik~[huere1] huren - [huerdn] huselik - huiselijk [hu2se1le1k] husien - huisje [hu2syn] husies - huisjes [hu2sys] husiesdeure - wc-deur [hu2sysdeure1] hussemussien - allegaartje [he1se1me1syn] hutsjeflut - onnozel vrouwspersoon [he1tsje1fle1t] hutte - hut huis[he1te1] huttien en muttien - hebben en houden #[he1tynen1me1tyn] huud - huid [hu2t] huus - huis [hu2s] huusholing - huishouding [hu2shooling] huushooldbeurs - huishoudbeurs [hu2sholdbeos] huust - huist [hu3st] huusvrouw - huisvrouw #[hu2sfrau] huveren - huiveren [hu2ve1rn] huvers - huiveringen [hu2ve1rs] huzen - huizen [hu2zn] huzaorenstaolties - huzarenstaaltjes [hu2zo2rnsto3ltys] I idee - [ydee] idenen - ideeën [ydeedn] ie - je [y] iedel - ijdel [ydl] ieder - [yde1r] iedere - [yde1re1] iederiene - iedereen [yde1riine1] iederkeer - telkens [yde1rkear] ieje - jij U;nadruk;vgl. ikke[iije1] ielestiek - elastiek [yle1styk] ien - een 1[iin] iene - een 1[iine1] ienhied - eenheid [iinhyt] ienige - enige [iine1qe1] ienigste - enige [iine1chste1] ienkeer - eenkeer [iinkear] iens - eens [iin1s] iensen - eens niet~[iin1sn] iensen niet - zelfs niet [iin1snnyt] ientien - eentje [iintyn] ienvooldig - eenvoudig [iinfoolde1ch] ienzem - eenzaam [iinse1m] ies - ijs [ys] iesbloemen - ijsbloemen [ysblu1mm] Iese - [iise1] ieskoolde - ijskoude [yskoolde1] ietsien - ietsje [ytsyn] ieuwen - eeuwen [iiwe1n] iever - ijver [yvr] iewig - eeuwig [iive1ch] iewighied - eeuwigheid [iive1chhyt] ik - [ik] ikke - [ike1] in - [in] indaenken - indenken #[inde7ngkng] indertied - indertijd [inde1rtyt] indrokwekkend - indrukwekkend [indrokwekngt] ingaank - ingang [in1chaangk] Ingels - Engels [inge1ls] Ingelse - Engelse [inge1lse1] ingoed - [inchu1t] inienend - ineens [iniinnt] inkeld - enkel [ingke1lt] inkelvoold - enkelvoud [ingklfoolt] inkieken - inkijken [ingkykng] inkomt - [ingkomt] inrieden - inrijden [in1rydn] inscheuten - ingeschoten [insko7tn] instaansie - instantie [in1staan1sy] interesseerde - [inte1re1seade1] inwendig - [invende1ch] inwijded - ingewijd #[inveyde1t] inwrift - inwrijft [invrift] is - [is] J ja - [ja] jacht - [jacht] jacht - jaagt [jacht] jacht - gejaagd [jacht] jachtwaeter - luizenmiddel [jachtve7tr] jaeg - jaag [je7ch] jaegde - jaagde [je7qde1] jaegden - jaagden [je7qdn] jaege - jaag ik~[je7qe1] jaegen - jagen [je7qn] jaegers - jagers [je7qrs] jak - [jak] jakkeren - [jake1rdn] jakkies - jakkes [jakys] jammert - [jamrt] janken - [jangkng] jankertien - huilebalk [jangkrtyn] jaor - jaar [jo2r] jaordag - verjaardag [jo2rdach] jaoren - jaren [jo2rn] jaorenlaank - jarenlang [jo2rnlaangk] jaorig - jarig [jo2re1ch] jaormennig - enkele jaren [jo2rmene1ch] jaors - per jaar [jo2rs] jaowel - jawel [jo3wel] jarre - gier [jare1] jarreputte - gierput [jare1pe1te1] jasse - jas [jase1] jassen - pl[jasn] jassien - jasje [jasyn] jat - gejat gestolen[jat] je - [je1] je - zeg ![je1] jeep - [zjyp] jeloers - jaloers [je1loers] jeugdzunde - jeugdzonde [jo7chtse1nde1] jezels - jezelf [je1sels] jim - jullie [jim] jimzels - jullie zelf [jimsels] joekels - knapen [ju1kls] jokken - [jo1kng] jokte - [jo1kte1] jong - [jong] jonge - adj[jonge1] jonge - jongen [jonge1] jongen - jongens [jongng] jonger - [jonge1r] jongkerel - jongmens [jongkeare1l] jongknaop - jongmens #[jongkno3p] jongste - [jongste1] jonk - jongedochter meisje[jongk] jonker - [jongke1r] jonkhied - jeugd [jongkhyt] joongien - jongetje [joon1chyn] Jow - U [jou] Jow - jou Uw[jou] juffer - juffrouw [je1fr] jurk - [je1rk] jurkien - jurkje [je1rkyn] K kaampien - perceeltje kampje[kaampyn] kaamprechters - kamprechters #[kaamprechte1rs] kaans - kans [kaan1s] kaanskaorte - kanskaart [kaan1sko2rte1] kaant - flink welgemaakt[kaant] kaant - kant [kaant] kaante - kant an~[kaante1] kaante - welgemaakte [kaante1] kaanten - kanten [kaantn] kaantien - kantje [kaantyn] kaapt - gekaapt [kaapt] kaaste - kast [kaaste1] kaekelende - kakelende [ke7ke1lnde1] kael - kaal [ke7l] kaele - kale [ke7le1] kaeken - kaken [ke7kng] kaemer - kamer [ke7me1r] kalknaegels - kalknagels #[kalkne7qls] kalm - [kalm] kammeraoden - kammeraden [kame1ro3dn] kammeraodske - vriendin [kame1ro3tske1] kan - v.[kan] kanne - kan zn[kane1] kannegien - kannetje [kane1chyn] een kaom kriegen - blozen [e1n1ko3mkryqng] kaorte - kaart [ko2rte1] kaortien - kaartje [ko2tyn] kaorties - kaartjes [ko2tys] kappe - kap [kape1] kappien - kapje [kapyn] karke - kerk [karke1] karre - kar [kare1] karregien - karretje [kare1chyn] kaste - kast [kaste1] kassien - kastje [kasyn] kastdaegen - kerstdagen [kastde7qn] katte - kat [kate1] kattien - katje [katyn] katzwiem - katzwijm [katsvym] kauwen - [kaudn] keboolterties - kaboutertjes #[ke1booltrtys] kedden - paardjes [kedn] kedogien - cadeautje [ke1doochyn] keef - kijfde [keef] keek - [keek] keel - [keil] keer - [kear] keermennig - enige keren [kearmene1ch] keers - per keer [kears] keersien - kaarsje [kearsyn] keert - [keat] keertien - keertje [keartyn] keerze - kaars [kearze1] keet - [keet] kefée - café [ke1fee] keite - flinke [keyte1] keken - [keekng] keken - gekeken [keekng] kemmodegien - commodetje [ke1moode1chyn] ken - [ken] kend - [kent] kende - [kende1] keneel - kaneel ka-[ke1neel] kenne - ken ik~[kene1] kennen - [kenn] kenonskoegel - kanonskogel -koouge1l[ke1nonsku1qe1l] kent - [kent] kerel - [keare1l] kerels - [keare1ls] keren - [keadn] kertier - kwartier [ke1rtier] kertiertien - kwartiertje [ke1rtiertyn] kerweigies - karweitjes [ke1rweychys] kestanjebruun - kastanjebruin [ke1stan1je1bru2n] ketoenen - katoenen [ke1tuunn] keuken - [keukng] keukentaofel - keukentafel [keukngto3fe1l] keuning - koning #[ko7ning] keunings - koningen #[ko7nings] keuninklik - koninklijk [keuningkle1k] keuninklike - koninklijke [keuningkle1ke1] keunsien - kunstje [keun1syn] keunsies - kunstjes [keun1sys] keunsten - kunsten [keunstn] keurings - keuringen #[keorings] keus - koos [ko7s] keuterboertien - keuterboertje [keute1rboertyn] keuzen - kozen [ko7zn] keuzen - gekozen [ko7zn] keven - kijfden [keevn] keven - gekijfden [keevn] kevot - envelop [ke1fo1t] keze - kaas &s[keeze1] kezien - kozijn [ke1zyn] kief - kijf [kyf] kiek - kijk [kyk] kieke - kijk ik~[kyke1] kieken - kijken [kykng] in de kiekerd - in het oog ~lopen[inde1kykrt] kiend - kind [kynt] kiender - kinderen [kynde1r] kienderachtige - kinderachtige [kynde1rachte1qe1] kiendertillefoon - kindertelefoon [kynde1rtile1foon] kiepehokke - kippenhok [kype1ho1ke1] kiepen - kippen subst.pl.[kypm] kies - v.[kys] kieskauwerige - [kyskaue1re1qe1] kietelt - [kytlt] kieve - kijf ik~[kiive1] kieven - kijven [kiivn] kieze - kies ik~[kyze1] kiezen - [kyzn] kift - kijft [kift] kikker - [kikr] kikkers - [kike1rs] kikt - kijkt [kikt] kil - [kil] kiste - kist [kiste1] klaegen - klagen [kle7qn] klaeterjaeger - populier #[kle7trje7qr] klaetert - klatert [kle7te1rt] klam - [klam] klaor - klaar [klo2r] klaore - klare kaant en~[klo2re1] klaore - klare olde[klo2re1] klaorebaore - louter [klo2re1bo2re1] klaover - klaver [klo3ve1r] klap - gien~[klap] klaproze - klaproos #[klaprooze1] klapt - [klapt] klarre - kladje formulier[klare1] klasse - [klase1] klauwen - krabben v.[klaudn] klei - [kley] klein - [kleyn] kleinder - kleiner [kleyne1r] kleine - [kleyne1] kleinjongen - kleine jongetjes #[kleyn1jongng] kleinkiender - kleinkinderen #[kleyn1kynde1r] kleinzeune - kleinzoon #[kleyn1seune1] klem - adv.;~zetten[klem] klerekaaste - kleerkast [kleare1kaaste1] kleren - [klearn] kletsen - [kletsn] kleur - [kleor] kleuren - [kleorn] kleurige - [kleore1qe1] kliekien - kliekje &i[klykyn] kliere - stuk aan één ~ door[kliere1] klikte - [klikte1] klim - [klim] klimme - klim ik~[klime1] klimmen - [klimm] klimt - [klimt] om de-klinke - failliet [omde1klingke1] klinken - [klingkng] klinkt - [klingt] klinte - krot oud huis[klinte1] klitsen - sletten [klitsn] klodders - [klodrs] kloften - menigten [kloftn] klokke - klok [klo1ke1] klom - [klom] klommen - [klomm] klommen - geklommen [klomm] klongelen - klungelen [klonge1ln] klongels - klungels [klongls] klonk - [klongk] klonken - [klongkng] klonken - geklonken [klongkng] kloons - clowns [kloons] klooster - [klooste1r] klopt - [klo1pt] klotst - [klo1tst] klumeren - kleumen [klu2me1rn] klussiesman - klusjesman [kle1sysman] knalderi'je - geknal [knalde1reie1] knaop - knaap [kno3p] knaopen - knapen [kno3pm] knap - [knap] knappe - [knape1] knarpen - zeuren [knarpm] knecht - [knecht] knechien - knechtje [knechyn] knepen - [kneepm] knepen - geknepen [kneepm] knieft - zakmes [knyft] knienen - konijnen [knynn] kniep - knijp ~ik[knyp] kniepe - knijp ik~[knype1] kniepen - knijpen [knypm] kniepoogt - knipoogt [knypoocht] kni'je - knie [kneije1] kni'jen - knieën &ey[kneidn] kni'jgien - knietje [kneichyn] knippen - v.[knipm] knipperde - [kniprde1] knipt - knipt v.[knipt] knipt - knijpt [knipt] knoerhad - knoerhard [knoerhat] knoert - [knoert] knoerten - [knoertn] knoffelen - vallen laten~[knofe1ldn] knollegies - knolletjes [kno1le1chys] knoppien - knopje [kno1pyn] knoppies - knopjes [kno1pys] knopen - subst.[knoopm] knoppien - knopje [kno1pyn] kocht - gekocht [ko1cht] kocht - [ko1cht] kochte - kocht ik/hi'j~[ko1chte1] kochten - [ko1chtn] koe - [ku1] koegien - koetje [ku1chyn] koeke - koek [ku1ke1] koeke - koek [ku1ke1] koekeloeren - [ku1ke1loern] koelbult - kuilbult [ku1lbe1lt] koele - kuil [ku1le1] koeliezen - coulissen &sn[ku1lyzn] koelkaaste - koelkast [ku1lkaaste1] koeme - kom [ku1me1] koemegien - kommetje [ku1me1chyn] koenen - koeien [ku1nn] koerst - [koerst] koest - ~holen[ku1st] koetse - koets [ku1tse1] koevleis - rundvlees [ku1fleys] koezepiene - kiespijn [kuuze1pyne1] koffers - [ko1fe1rs] koffie - [ko1fy] koggelderi'je - gekuch [koche1lde1reie1] koggelig - hoesterig [koche1le1ch] koj' - kon je [koy] koj' - kom je [koy] koj'm - konden jullie [koym] kokerrokkien - kokerrokje [kooke1ro1kyn] koleschoppen - kolenschoppen [koole1schopm] kom - !&en~[kom] komme - kom ik~[kome1] kommen - komen [komm] kommen - gekomen [komm] kommende - komende [kommde1] komof - komaf #[komo1f] komt - [komt] kon - [kon] kondigt - [konde1cht] konkelfoezen - #[kongklfu1zn] konnen - konden [konn] konsternaosie - consternatie #[konste1rno3sy] kont - [kont] kontaktlaenzen - contactlenzen #[kontaktle7nzn] kontreinen - omgeving [kontreynn] kool - [kool] koold - koud [koold] koolde - koude [koolde1] koolderig - kouwelijk [koolde1re1ch] kooldweg - onbewogen #[kooldvech] koop - ~ik[koop] koorties - kruiwagentjes [koartys] kop - [ko1p] kope - koop ik~[koope1] kopen - [koopm] koplaampen - koplampen borsten[ko1plaampm] koppel - groep [ko1pe1l] koppels - groepen [ko1pe1ls] koppeltien - groepje [ko1pe1ltyn] koppen - [ko1pm] koppien - kopje [ko1pyn] koppienbuitelende - kopjeduikelende [ko1pynbuite1lnde1] koppies - kopjes [ko1pys] körf - korf mand[ko6rf] körfballen - korfballen [ko6rfbaldn] körven - korven [ko6rbm] kost - [ko1st] köst - kiest [ko6st] kostber - kostbaar [ko1stbe1r] kosten - [ko1stn] kostte - [ko1ste1] kot - kort [ko1t] kotlings - kortelings #[ko1tlings] kotom - kortom [ko1tom] kotsmisselik - kotsmisselijk [ko1tsmise1le1k] kotste - kortste [ko1tste1] kotte - korte [ko1te1] kotten - korten in te~[ko1tn] kotting - korting #[ko1ting] kowwe - kunnen wij [ko1ve1] kraampen - krampen s.pl.[kraampm] kraante - krant [kraante1] kraantestokkien - krantenstukje #[kraante1stokyn] kraanze - krans [kraanze1] krabbe - krab ik~[krabe1] krabben - eerpels~[krabm] krachtig - [krachte1ch] kraekt - kraakt [kre7kt] kraene - kraan [kre7ne1] kraenties - kraantjes [kre7ntys] kraege - kraag [kre7qe1] kraeken - kraken [kre7kng] kramme - kram [krame1] krammegien - krammetje [krame1chyn]] krammen - [kramm] kramp - [kramp] kramperig - kramp hebbend [krampe1re1ch] kramperige - kramp hebbende [krampe1re1qe1] kraomvrouwluden - kraamvrouwen #[kro3mfraulu2dn] krap - [krap] krappe - [krape1] krapsten - [krapstn] krapan - [krapan] krats - [krats] krebintig - krakkemikkig [kre1binte1ch] kreeg - [kreech] kree'k - kreeg ik [kreek] kreers - netjes [kreas] kreerze - nette [kreaze1] kregen - [kreiqng] kregen - gekregen [kreiqng] krek - net [krek] kreunend - [kro7nnt] kreunt - [kro7nt] kreup - kroop [kro7p] kreupen - kropen [kro7pm] kreupen - gekropen [kro7pm] kriebelt - [kryblt] krieg - krijg ~ik[krych] kriege - krijg ik~[kryqe1] kriegen - krijgen [kryqng] kriej' - krijg je [kryj] krie'k - [kryk] krigt - krijgt [kricht] kri'je - kraai s.[kreie1] kri'jen - kraaien .[kreidn] krimmeneren - klagen zeuren[krime1neadn] krimp - [krimp] krimpe - krimp ik~[krimpe1] krimpen - [krimpm] kring - kreng [kring] kringachtig - als een kreng [kringachte1ch] krits - pip krijg de~[krits] krobbe - dreumes dat~[krobe1] kroeg - [kru1ch] kroep - kruip ~je[kru1p] kroepe - kruip ik~[kru1pe1] kroepen - kruipen [kru1pm] kroepersgoed - kruipplanten [kru1prschu1t] kroje - kruiwagen [kroaie1] krojen - kruiwagens [kroaie1n] krojen - kruien [kroaie1n] kroketten - #[krouketn] krokken - licht sneeuwen [kro1kng] kromp - [kromp] krompen - [krompm] kronkelige - [krongke1lqe1] krooigien - kruiwagentje [kroaichyn] krop - [kro1p] kropt - kruipt [kropt] kruderig - kruidig [kru2de1re1ch] kruderig - fier [kru2de1re1ch] krudetroep - kruidentroep [kru2de1tru1p] krullen - [kre1ldn] krummelige - kruimelige [kre1me1le1qe1] krusing - kruising [kru2sing] kruus - kruis [kru2s] kuier - [kuie1r] kuieren - [kuie1rdn] kuiteld - tuimelen [ko5tlt] kuitelend - tuimelend [ko5te1lnt] kuj' - kun je [ke1j] kuj'm - kunnen jullie [ke1jm] kun - kunnen ~we#[ke1n1] kund - gekund wezen~;hebben~[ke1nt] kunde - [ke1nde1] kunnen - omdaj'~[ke1nn] kupien - kuipje [ku2pyn] kussen - hoofd-[ke1sn] kuten - kuiten [ku2tn] Kuunder - Tjonger [ku2nde1r] kuutspieren - kuitspieren #[ku2tspiern] kuwwe - kunnen we [ke1ve1] kwal - [kval] kwam - [kvam] kwammen - kwamen [kvamm] kwaod - kwaad [kvo3t] kwaoie - kwade [kvo3je1] kwaoien - kwaden de~[kvo3je1n] kwaojongen - kwajongen #[kvo2jongng] kwaolen - kwalen [kvo3ldn] kwaolik - kwalijk [kvo3le1k] kwam - [kvam] kwammen - kwamen [kvamm] kwat - kwart &r[kvat] kwatties - kwartjes [kvatys] kweekt - [kveekt] kwessie - kwestie [kvesy] kwieskwaans - tussen neus en lippen [kvyskvaan1s] kwiet - kwijt [kvyt] kwietraeken - kwijtraken #[kvytre7kng] L laand - land [laant] laandet - landt [laande1t] laandschop - landschap [laantskop] laank - lang mien leven ~[laangk] laanterig - landerig moe[laante1rch] labbekakken - [labe1kakng] lach - [lach] lachen - #[lachn] lachien - lachje [lachyn] lacht - [lacht] lae - lade s.[le7] laedde - laadde [le7de1] laedden - laadden [le7dn] laede - laad !&ik~[le7de1] laeden - laden v.[le7dn] laeden - geladen [le7dn] laedet - laadt .[le7de1t] laeken - laken [le7kng] laekentien - lakentje [le7kngtyn] laeste - laatste &e[le7ste1] laete - laat tijd[le7te1] laeter - later [le7te1r] lag - [lach] laggen - lagen [laqn] lam - [lam] lammeteert - lamenteert [lame1teat] lamsvleis - lamsvlees #[lamsfleys] lane - te~[laane1] te lane - terecht [te1laane1] lanen - landen s.&v.[laann] lange - lang adv.[lange1] langer - [lange1r] langes - langs [lange1s] langzem - langzaam [langse1m] lao'k - laat ik [lo3k] laom - lam s.[lo3m] laot - laat ~ik[lo3t] laoten - laten [lo3tn] laoten - gelaten [lo3tn] lao'we - laten wij [lo3ve1] lappe - lap ~tuun[lape1] lappebak - lappenmand bed[lape1bak] op 'e lappen - op de been [ope1lapm] lapt - presteert[lapt] last - [last] lastig - [laste1ch] lat - laat [lat] ledekaant - ledikant [leede1kaant] leden - s.pl.& v.[leidn] leden - geleden [leidn] leeft - [leift] leeftied - leeftijd [leiftyt] leeg - [leich] leeggieten - [leichytn] leek - v.[leek] leer - [lear] leerd - [leart] leert - [leart] leerzens - laarzen [learze1n1s] lees - [lees] leesd - gelezen [leest] leesde - las [leesde1] leesden - lazen [leesdn] lef - [lef] legd - gelegd [lecht] legde - [leqde1] legden - [leqdn] lege - laag adv.[leiqe1] lege - [leeqe1] legen - [leiqn] legen - gelegen [leiqn] leger - lager [leiqe1r] legge - leg [leqe1] leggen - [leqng] legt - [lecht] leide - leidsel de~[leyde1] leiden - [leydn] leidet - leidt [leyde1t] leidster - [leytstr] leit - ligt [leyt] lek - [lek] leken - pret.[leekng] leken - geleken [leekng] lekker - [leke1r] lekkerder - [leke1rde1r] lekkerders - [leke1rde1rs] lelk - boos [lelk] lelke - boze [lelke1] lelkens - kwaadheid [lelkngs] Lende - Linde [lende1] lepel - [leepl] leren - adj.[learn] leren - v.[learn] les - [les] lessien - lesje [lesyn] lessend - laatst &st[lesnt] lest - leest [lest] lestdaegs - onlangs [lestde7chs] letters - [lete1rs] leug - loog [lo7ch] leugen - logen [lo7qng] leugen - gelogen [lo7qng] leunde - [leunde1] leup - liep [leup] leupen - liepen [leupm] leut - liet ik~[leut] leuten - lieten [leutn] leve - [leive1] leven - [leibm] levendige - levende [leibmde1qe1] leventien - leventje [leibmtyn] levert - [leevrt] leze - lees ik~[leize1] lezen - s.&z[leizn] lichemstael - lichaamstaal #liche1mste7l] lichtkaans - allicht [lichtkaan1s] lid - [lit] lidt - lijdt [lit] lied - [lyt] liede - lijd !&ik~[lyde1] lieden - lijden [lydn] lief - [liif] liefde - [liivde1] liefst - [liifst] liefste - [liifste1] liegen - [lyqng] liegt - [lycht] liek - lijk ~ie[lyk] liek - gedwee.. om 't~..[lyk] liek - recht ~praoten[lyk] om liek - gedwee [omlyk] liekdoorns - likdoornen #lykdoarns] lieke - lijk ik~[lyke1] lieke - even adv.[lyke1] liekem - moederziel [lykm] lieken - lijken [lykng] liekese - gelijke [lyke1se1] liekt - lijkt [lykt] liende - lijn was-[liinde1] lienen - lenen [liinn] lieperd - slimmerik [liipe1rt] lieperds - slimmerikken [liipe1rts] lies - [lys] liesbreukien - liesbreukje #lysbreukyn] liester - lijster [lystr] lieties - liedjes [lytys] lieve - [liive1] liever - [liivr] lig - [lich] ligge - lig ik~[liqe1] liggen - [liqng] liggende - [liqngde1] ligt - [licht] li'j - lauw ~waeter[lei] li'jden - leiden [leidn] lijn - streep[leyn] li'jte - luwte [leite1] likstien - liksteen [likstiin] lillik - lelijk [lile1k] lillikerds - lelijkerds [lile1ke1rts] links - [lingks] linter - slungel [lintr] lissien - lijstje [lisyn] liste - lijst [liste1] listen - lijsten [listn] litten - deksels [litn] Liwwadden - Leeuwarden [livadn] Liwwadder - Leeuwarder [livade1r] locht - licht et~[locht] locht - lucht de~[locht] lochthappen - luchthappen [lochthapm] lochtfietse - luchtfiets ik~#[lochtfytse1] lochtveertmaotschoppi'je - luchtvaartmaatschappij #[lochtfeartmo3tskopeie1] lödt - luidt [lo6t] loer - [loer] loerd - [loert] loerde - [loerde1] loeren - [loern] loert - [loert] lokken - lukken [lokng] lokt - lukt [lokt] lokt - gelukt [lokt] lokten - [lo1ktn] lomp - [lomp] longen - [longng] longerde - hunkerde ~op[longrde1] longert - hunkert op~[longe1rt] loop - [loop] loos - mis[loos] lope - loop ik~[loope1] lopen - [loopm] lopen - gelopen [loopm] lopende - lopend [loopmde1] lopende - ~band#[loopmde1] loper - [loopr] lopt - loopt [lo1pt] los - [lo1s] losbraant - losbrandt #[lo1sbraant] losrammelt - [lo1srame1lt] losscheurd - losgescheurd [lo1skeot] lossies - losjes ~in de leer[lo1sys] loste - ~op[lo1ste1] lotte - kwak [lo1te1] lottien - kwakje [lo1tyn] lubben - castreren [le1bm] lude - luid !&ik~[lu2dn] luden - luiden [lu2dn] luden - lieden mensen[lu2dn] ludet - geluid [lu2de1t] luibuis - luiwammes #[luibuis] lurkien - leeuwerik [le1rkyn] lusse - lust ik~[le1se1] lussen - lusten [le1sn] lust - [le1st] luud - luid [lu2t] luudde - luidde [lu2de1] luudden - luidden [lu2dn] luudkeels - luidkeels [lu2tkeels] luus - luis [lu2s] luusterde - luisterde [lu2strde1] luustert - luistert [lu2strt] luustre - luister ik~[lu2stre1] luustren - luisteren [lu2stre1n] M maans - mans [maan1s] maantelpakkien - mantelpakje [maantlpakyn] machtig - ~mooi[machte1ch] maegd - meid mien~[me7cht] maeger - mager [me7qr] maegere - magere [me7qre1] maegien - meisje [me7chyn] maegies - meisjes [me7chys] maek - maak [me7k] maeken - maken [me7kng] maekt - maakt [me7kt] maekt - gemaakt [me7kt] maekte - maakte [me7kte1] maekten - maakten [me7ktn] maendag - maandag [me7ndach] maendagsmiddags - 's maandagsmiddags [me7ndachsmidachs] mag - [mach] maj' - mag je &-e[may] ma'k - mag ik [mak] mag - [mach] makkelik - gemakkelijk [makle1k] makkelike - gemakkelijke [makle1ke1] mal - raar[mal] malder - maller [maldr] maldere - mallere [maldre1] malle - mal adv.[male1] malle - adj.[male1] mals - [mals] malste - [malste1] maltaepelig - aanhalig [malte7pe1le1ch] man - [man] manhaftig - [manhafte1ch] manluden - mannen #[man1lu2dn] manmoedig - [manmu1de1ch] mannegien - mannetje [mane1chyn] mannen - [mann] manvolk - [man1fo1lk] maond - maand [mo3nt] maondelikse - maandelijkse [mo3nde1lkse1] maone - maan [mo3ne1] maot - kameraad [mo3t] maote - maat [mo3te1] maoten - kameraden [mo3tn] map - [map] mappien - mapje [mapyn] mar - maar &ma[mar] mark - merk [mark] marke - merk ik~[marke1] marken - merken [markng] markloper - vlaamse gaai #[markloopr] markt - [markt] marren - maren niks te~[marn] masselig - ? [mase1le1ch] mat - pret.[mat] matten - maten [matn] me - [me1] medelieden - medelijden #[meede1lydn] meden - gemeden [meedn] medern - modern [me1dern] mederne - moderne [me1derne1] meeg - zeikte [meech] meens - mens voor k[meen1s] meenselike - menselijke [meen1sle1ke1] meenske - mens [meen1ske1] meensken - mensen [meen1skng] meenskies - mensjes [meen1skys] meer - [mear] meerdere - [meade1re1] meerst - meest [meast] meerstal - meestal [meastal] meerste - meeste [measte1] meert - maart [meart] meervoold - meervoud [mearfoolt] meester - [meestr] megen - zeikten [meeqng] megen - gezeken [meeqng] meid - vrijster [meyt] meiden - [meydn] meie - mei [meye1] meitied - lente [meytyt] mekaander - elkaar [me1kaande1r] mekeer - elkaar %[me1kear] mekeer - elkaar [me1kear] mekeert - mankeert [mekeart] melige - [meele1qe1] melk - [melk] melke - melk ik~[melke1] melken - [melkng] melkkoegien - melkkoetje #[melku1chyn] mem - moeder [mem] mement - moment [me1ment] mementen - momenten [me1mentn] memmen - moeders [memm] memmetael - moedertaal #[meme1te7l] meneer - mijnheer [me1near] meniere - manier [me1niere1] mennigiene - menigeen [mene1qiine1] menuten - minuten [me1nu2tn] meraokels - streken rare~[me1ro3kls] mere - merrie [meare1] merendiels - merendeels [mearndiils] mes - [mes] mesine - machine [me1syne1] mesinegien - machientje [me1syne1chyn] mesinen - machines [me1synn] messegooier - messengooier &mesch-#[mese1choaie1r] messen - [mesn] mesjesteren - manchesteren [me1sjeste1rn] met - meet [met] mete - meet ik~[meete1] meten - [meetn] meten - gemeten [meetn] meter - [meetr] veur mets - op apegapen [feormets] metselen - [metse1ldn] meugelik - mogelijk [meuqe1le1k] meugen - mogen [meugng] meule - molen [mo7le1] mezels - mijzelf &meysels[me1sels] middag - [midach] middageten - [midacheetn] middags - 's middags [midachs] middel - [midl] midden - [midn] midt - mijdt [mit] mied - mijd [myt] miedde - meed [myde1] miedden - meden [mydn] miede - mijd !&ik~[myde1] mieden - mijden [mydn] miegen - zeiken [myqng] mieghummel - plaspop [mychhe1me1l] mien - min [myn] miende - meende [miinde1] mienen - menen [miinn] miening - mening [miining] mient - meent [miint] mier - de~an[mier] mierken - zeuren [mierkng] mierkerig - zeurderig [myrke1re1ch] mieter - as de~[mytr] mieterden - vielen [mytrdn] mietert - valt [mytrt] migt - zeikt [micht] mi'j - mij [mei] mi'jen - maaien [meidn] mi'jeri'je - maaierij [meie1reie1] mijl - [meyl] mikken - [mikng] mikt - [mikt] min - slecht [min] min - weinig te~[min] minder - [minde1r] ming - meng [ming] minge - meng ik~[minge1] mingel - liter [mingl] mingen - mengen [mingng] minne - slechte ondeugdzame[mine1] minstens - [min1ste1n1s] mis - [mis] misbakseltien - misbakseltje [misbaksltyn] mishaandeld - mishandeld #[mishaandlt] miskommen - last v.eten[miskomm] mislokte - mislukte [mislokte1] mispuntien - mispuntje [mispe1ntyn] misschien - [miskyn] misselik - misselijk [mise1le1k] missen - [misn] mist - v.[mist] mit - met [mit] mitbroezen - meedoen [mitbru1zn] mitdocht - meegedacht [mido1cht] mitgaot - meegaat [mitcho3t] mitien - meteen [mitiin] mitkommen - meekomen [mitkomm] mitkregen - meegekregen [mitkreiqng] mitmaekt - meegemaakt #[mitme7kt] mitnemen - meenemen [mitneemm] mittogen - meeslepen [mitooqn] meugen - mogen [mo7qng] moch - mocht [moch] mocht - gemogen [mocht] mochten - [mochtn] moddervette - [modrfete1] moej' - moet je #[mu1j] moej'm - moeten jullie [mu1je1m] moej't - moe je het [mu1je1t] moe'k - moet ik [mu1k] moeke - moeder [mu1ke1] moe'n - moeten [mu1nn] moes - muis [muus] moesstille - muisstil #[muustile1] moet - [mu1t] moete - moet ik~[mu1te1] moeten - gemoeten [mu1tn] moeten - omdaj'~[mu1tn] moe'we - moeten we [mu1ve1] moezen - muizen [muuzn] molenaar - [moole1naar] molle - mol [mole1] mollehond - molshond [mole1hont] mond - [mont] mong - [mong] mongen - [mongng] mongen - gemongen [mongng] monteerd - gemonteerd [monteart] montien - mondje [montyn] mooi - [moai] mooie - [moaie1] mooier - [moaie1r] moois - [moais] mooiste - [moaiste1] mooisten - mooist op 'n[moaistn] morfinespuitien - morfinespuitje #[mo1rfyne1spuityn] morgen - [mo1rqng] morgens - 's morgens [mo1rqngs] morgenvroeg - [mo1rqngfru1ch] mos - moest [mos] mossen - moesten [mosn] mot - moet [mot] motten - morsen [mo1tn] mouwe - mouw [maue1] mu - moe vermoeid[mu2] mudden - bunzings [me1dn] muike - tante [muike1] mulk - melkte [me1lk] mulken - melkten [me1lkng] mulken - gemolken [me1lkng] munten - [me1ntn] mure - muur [muere1] muren - [muern] murk - merkte [me1rk] murken - merkten [me1rkng] murken - gemerkt [me1rkng] musken - mussen [me1skng] mussies - mutsjes [me1sys] muttien - > huttien en~[me1tyn] muuilik - moeilijk [muile1k] muuilike - moeilijke [muile1ke1] muuite - moeite [muite1] N naachs - 's nachts [naachs] naacht - nacht [naacht] naachthemd - nachthemd #[naachthemt] naachtkassien - nachtkastje [naachtkasyn] naalde - naald [naalde1] naegels - nagels [ne7qls] naekend - naakt [ne7kngt] naeme - naam [ne7me1] naemelik - namelijk [ne7me1le1k] naemen - namen s.pl.[ne7mm] naevel - navel [ne7vl] nam - [nam] nammen - namen pret.[namm] nao - na [no3] naodat - nadat [no3dat] naodaenken - nadenken #[no3de7ngkng] naonemend - lichtgeraakt #[no3neemmt] naopluzen - napluizen #[no3plu2zn] naor - naar prep.[no2r] naost - naast [no3st] naosten - naasten s.pl.[no3stn] naozatten - achtervolgden [no3zatn] nargens - nergens [nargngs] nauw - [nau] nauwer - [naue1r] Nederlaans - Nederlands [needrlaan1s] nee - [nei] neem - &ei[neem] nefien - neefje [neefyn] neffens - volgens [nefe1n1s] negen - [neeqng] negenendattig - negenendertig [neeqnge1ndate1ch] negentien - [neeqngtyn] negentig - [neeqngte1q] negentiger - [neeqngte1qe1r] nekke - nek [neke1] neme - neem ik~[neeme1] nemen - [neemm] nemt - neemt [nemt] net - subst[net] netkousen - #[netkausn] nette - [nete1] netties - netjes [netys] neture - nature van~[ne1tuere1] netuur - natuur [ne1tuer] netuurlik - natuurlijk &na-[ne1tuerle1k] neudig - nodig [no7de1ch] neumen - genomen [no7mm] neute - noot [no7te1] neutegoorn - notenwal #[no7te1choarn] neuze - neus [no7ze1] neve - neef [neeve1] nichte - nicht [nichte1] nichien - nichtje [nichyn] niet - [nyt] ni'j - nieuw [nei] ni'jbouwwiek - nieuwbouwwijk #[neibauwyk] ni'je - nieuwe [neie1] ni'jen - naaien [neidn] ni'jeri'je - naaiwerk [neie1reie1] ni'js - nieuws [neis] ni'jsgierige - nieuwsgierige [neiskiere1qe1] ni'jsgierighied - nieuwsgierigheid &heyt[neiskiere1chyt] ni'jste - nieuwste [neiste1] nikken - knikken [nikng] niks - niets [niks] nikte - knikte [nikte1] nikten - knikten [niktn] nimmer - nooit en te~[nimr] nis - [nis] noch - [no1ch] nocht - plezier de~[nocht] nocht - zin ~an[nocht] nochteren - nuchter [nochte1rn] noffelik - plezierig [nofe1le1k] nog - [no1ch] nogal - [no1qal] nokke - nok [no1ke1] nommer - nummer [nome1r] nommers - nummers [nome1rs] nommerties - nummertjes [nome1rtys] non - [non] nood - [noot] nooit - [noait] noord - [noard] norms - normen [no1rms] nosie - notie benul[noosy] nottelig - nors [no1te1le1ch] now - nu [nou] nugen - nodigen uit-[nu3qn] numen - noemen [nu2mm] nusselen - nestelen [ne1se1ln] nust - nest [ne1st] nuumd - genoemd [nu2mt] nuumt - noemt [nu2mt] nuvere - rare [nu2ve1re1] O och - [o3ch] odder - orde [o1dr] oe - o ~zo;~zokke[uu] oerlillik - oerlelijk [oerlile1k] of - [o1f] of - af [o1f] ofdieling - afdeling [o1fdiiling] ofdielings - afdelingen [o1fdiilings] offloddert - afwast him~[o1flo1drt] ofgeunst - afgunst [o1fcheun1st] ofgrond - afgrond [o1fchront] ofloop - afloop [o1floop] ofpraot - afgesproken [o1fpro3t] ofroetsen - afglijden [o1fru1tsn] ofscheid - afscheid [o1fskeyt] ofscheuten - afgeschoten [o1fskeutn] ofspraoke - afspraak [o1fspro3ke1] ofspraokien - afspraakje [o1fspro3kyn] ofstaand - afstand [o1fstaant] ofstaon - afstaan [o1fsto3n] oftaanse - aftandse [o1ftaan1se1] oftaekeling - aftakeling #[o1fte7ke1ling] oftewel - [o1fte1vel] oftrekke - aftrek ik~[o1ftreke1] ofval - afval [o1fal] ofwaachten - afwachten [o1fvaachtn] ofwasken - afwassen [o1fvaaskng] ofzeumd - afgerammeld [o1fso7mt] oge - oog [ooqe1] ogen - [ooqng] ogenblik - [ooqngblik] ogien - oogje [oochyn] ok - ook [ok] om - [om] omdaj' - omdat je [omday] omda'k - omdat ik [omdak] omdat - [omdat] omdawwe - omdat wij [omdave1] omhenne - omheen d'r~[omhene1] omke - oom [omke1] omkrieten - omgeving [omkrytn] omme - om [ome1] ommeblaedert - ombladert #[ome1ble7drt] ommebrobbelen - omknoeien [ome1brobln] ommedri'jde - omdraaide [ome1dreide1] ommefiespelen - ompeuteren [ome1fyspe1ln] ommeheisteren - omslaan ~met[ome1heyste1rn] ommelopt - omloopt #[ome1lopt] ommeluibuisen - rondluieren #[ome1lo5bo5sn] ommeraek - terdege [omre7k] ommeroepen - omroepen [ome1ru1pm] ommes - immers [ome1s] ommescharrelde - rondscharrelde [ome1skarlde1] ommespatterd - rondgespetterd [ome1spatrt] ommestappen - rondstappen [ome1stapm] ommestraampelen - rondstrompelen [ome1straampe1ln] ommetoe - omheen [ome1tu1] omroeper - [omru1pe1r] onbesoesd - onbesuist [onbe1suust] ondaanks - ondanks [ondaangks] onder - [onde1r] onderdak - [ondrdak] onderen - [onde1rn] ondergreven - ondergraven [onde1rchreevn] onderhoold - onderhoud [onde1rhoolt] onderscheidings - onderscheidingen [onde1rskeydings] ondertussen - [onde1rte1sn] onderweg - [onde1rvech] onderwegens - onderweg [onde1rveeqngs] onderwiezen - onderwijzen [onde1rvyzn] onderzocht - [onde1rso1cht] onderzuuk - onderzoek [onde1rsu2k] ongeleuvige - ongelovige [onche1leuve1qe1] ongeliekes - ongelijk [onche1lyke1s] ongelok - ongeluk [onche1lok] ongelokken - ongelukken [on1che1lokng] ongemakken - kwalen [onche1mak] ongemakkies - kwaaltjes [on1che1makys] ongemurken - ongemerkt [on1che1me1rkng] ongeveer - [onche1fear] onlaand - onland [onlaant] onnaovolgbere - onnavolgbare #[ono3fo1lchbe1re1] onneuzel - onnozel [ono7zl] onraod - onraad [onro3t] onroerend - [onroernt] ontdekt - [ontdekt] ontfosselen - ontfutselen [ontfo1se1ln] ontgaon - ontgaan [ontcho3n] ontgellen - ontgelden [ontcheln] ontgin - [ontchin] ontginne - ontgin ik~[ontchine1] ontginnen - [ontchinn] ontgon - [ontchon] ontgonnen - pret.&part.[ontchonn] ontraffel - ontrafel [ontrafl] onuutstaonbere - onuitstaanbare [onu2tsto3n1be1re1] ontvongen - ontvangen part.[ontfongng] onwies - onwijs [onvys] oogwink - oogwenk [ooqvingk] ooit - [oait] oold - oud [oolt] oolde - oude [oolde1] oolden - ouders [ooldn] oolder - ouder adj.&s.[oolde1r] ooldere - oudere [oolde1re1] oolderen - ouderen [oolde1rn] oolderwets - ouderwets [ooldrvets] ooldewieve-achtig - als een oud wijf [oolde1vyve1achte1ch] ooldste - oudste [ooltste1] oons - ons [oon1s] oonszels - onszelf [oon1sels] oonze - onze [oon1ze1] oor - [oar] oordielen - oordelen [oardiiln] oost - &oa[oost] ooster - [oostr] op - [op] opbargen - opbergen [opbarqng] opbatst - losgaat ~op[obatst] opbrengen - [obrengng] opendaele - op en neer [opende7le1] opgeruumd - opgeruimd [opche1ru2mt] ophaelen - ophalen [ophe7ldn] opholen - ophouden [ophouldn] opjutten - [opje1tn] opkropte - opgekropte [opkro1pte1] opkwammen - opkwamen [opkvamm] oplawaaier - oplawaai #oplavaaie1r] opleggen - [opleqng] oplocht - oplucht je~[oplocht] opperste - [oprste1] oprielaene - oprijlaan #[opryle7ne1] opscharrelen - [opskare1ldn] opsleuten - opgesloten [opslo7tn] opspatteren - opspatten kwaad~[opspate1rn] opstaandig - opstandig [opstaande1ch] opsteuken - opgestoken [opsteukng] opstikken - opsteken &e[opstikng] opstopte - opgestopte [opsto1pte1] opstraampelen - opstrompelen [opstraampe1ldn] opvoerd - opgevoerd [opfoert] opvongen - opgevangen [opfongng] opwaarmde - opgewarmde [opvaarmde1] opwiening - opwinding &vin[opvyning] opwunnen - opgewonden [opve1nn] opzoolten - opzouten [opsooltn] over - [&f[ouve1r] overaende - overeind [ouve1re7nde1] overal - [ouve1ral] overbeppe - overgrootmoeder #[ouve1rbepe1] overgaank - overgang &g&a[ouve1rchaangk] Overiessel - Overijssel [ouve1rysl] overmaand - overmand &a[ouve1rmaant] overmaot - overmaat [ouve1rmo3t] overmorgen - [ouve1rmo1rqng] overpake - overgrootvader [ouve1rpaake1] overschrieving - overschrijving &ff[ouve1rskriiving] overstuur - [ouve1rstuer] overtuug - overtuig [ouve1rtu2ch] overtuugd - overtuigd [ouve1rtu2cht] d'r overvleren - erop lospraten [drouve1rflearn] P paantien - schoteltje #[paantyn] paantien - kopje ~koffie[paantyn] paanties - schoteltjes [paantys] pafte - ~rook[pafte1] pak - [pak] pakken - [pakng] pakkies - pakjes [pakys] pakt - [pakt] pakte - [pakte1] pal - ~in de bocht[pal] paljas - grappenmaker [paljas] palmde - [palmde1] panne - pan [pane1] pannegien - pannetje [pane1chyn] pannen - dak~[pann] paolen - palen [po3ldn] Paosken - Pasen [po3skng] papjoongies - papjongetjes #[papjoon1chys] pappen - [papm] paraot - paraat [paro3t] parreplu - paraplu [pare1plu2] pas - [pas] te passe - te pas [te1pase1] passen - [pasn] passeniel - personeel [pase1niil] passenielsbeleid - personeelsbeleid [pase1niilsbe1leyt] passeerslaegen - passeerslagen [pasearsle7qng] past - [past] pat - deel [pat] pattie - sommige [paty] pattien - paadje [patyn] peer - paar &pe2r[pear] peerd - paard [peart] peerden - paarden [peardn] peertien - paardje [peartyn] peertienrieden - paardjerijden [peartynrydn] peest - fietst[peest] peinze - pens [peyn1ze1] peleis - paleis [pe1leys] pelisie - politie [pe1lysy] pelisies - polities -agenten[pe1lysys] penne - pen [pene1] peperduur - [peeprduer] pepier - papier [pe1pier] pepiereboel - paperassen [pe1piere1buul] perbeert - probeert [pe1rbeat] perberen - proberen [pe1rbearn] perblemen - problemen [pe1rbleemm] percies - precies [pe1sys] pere - peer [peare1] perfester - professor [pe1rfestr] pergramme - programma [pe1rchrame1] perti'j - partij [pe1rtei] perveensie - provincie [pe1rveen1sy] pesjent - patient [pe1sjent] pesten - [pestn] pestoor - pastoor [pe1stoar] petret - portret [pe1tret] pette - pet [pete1] pettienballen - petjeballen [petynbaldn] petties - petjes [petys] pief - ome hoge~[pyf] piekevanger - kuikenvanger [pyke1fange1r] piene - pijn [pyne1] pienlik - pijnlijk [pynle1k] piepe - pijp [pype1] pieperds - piepers zeurders[pype1rts] piepien - pijpje #[pypyn] pieren - wormen[pierdn] pieskepollen - russen plant[piiske1plo1ldn] pieties - luizen [pytys] pikaant - pikant [pykaant] pikaante - pikante [pykaante1] pikeur - &![pykeor] pikken - [pikng] pillen - [pildn] pinke - pink rund[pingke1] pip - ziekte[pip] pittien - pitje saacht~[pityn] pittige - [pite1qe1] plaanke - plank [plaangke1] plaanken - planken pl.[plaangkng] plaankien - plankje [plaangkyn] plaant - plant [plaant] plaanties - plantjes [plaantys] plaeties - plaatjes [ple7tys] plaetse - boerderij [ple7tse1] plaetselike - plaatselijke [ple7tsle1ke1] plak - plaats et~[plak] plakke - plak ik~[plake1] plakken - plaatsen [plakng] plakken - plakken ~schinke[plakng] plakkien - plaatsje [plakyn] plakkien - plekje [plakyn] plakkies - plaatsjes &plakjes[plakys] plakkies - plekjes [plakys] plakkies - plakjes sneedjes[plakys] plan - [plan] plannegien - plannetje [plane1chyn] plaogende - plagende [plo3qnde1] plestieken - plastic adj.&i[plestykng] plezier - [ple1zier] ploeg - groep[plu1ch] ploempsten - plonsten [plu1mpstn] ploempt - plonst [plu1mpt] ploffe - plof ik~[plofe1] ploft - [ploft] plooi - [ploai] plus - [ple1s] pluus - pluis en~uut[plu2s] pluust - peutert [plu2st] pluzen - pluizen uut te~[plu2zn] pochel - huid ~vol schellen[pochl] poede - zak papieren~[pu1de1] poedegien - zakje [pu1de1chyn] poeden - zakken [pu1dn] poele - poel [puule1] poeltien - poeltje [puultyn] poer - woedend [poer] poer - gek ~op[poer] poerbest - puik [poerbest] poere - pure [poere1] poergeef - zuiver en gaaf [poercheef] poesten - puffen uut~[pu1stn] poester - stevige wind [pu1str] poestig - kortademig [pu1ste1ch] pofzak - dikkerd [pofsak] poggel - huid ~volschellen;>pochel[poche1l] polle - pol &rozenstruik[po1le1] pollegien - polletje [po1le1chyn] pollen - [po1ldn] polst - gepolst [polst] ponghoolder - penningmeester [ponghoolde1r] pook - (jachtgeweer) [pook] poolder - polder &o[poolde1r] poppe - baby [pope1] poppen - baby's [popm] poppien - babytje [popyn] poppies - babytjes [popys] pot - [po1t] pote - poot bi'j de~[poote1] potienbaaid - pootjegebaad #[pootynbaait] potrak - pannenrek [po1trak] pottekiekers - pottenkijkers [po1te1kykrs] pottien - potje [po1tyn] poze - poos &oa[pooze1] prachtig - [prachte1ch] prakken - [prakng] prakkien - prakje [prakyn] praot - praat [pro3t] praoten - praten [pro3tn] praoteri'jen - vergaderingen [pro3te1reidn] praoteri'jgies - praatjes [pro3te1reichys] praoties - praatjes [pro3tys] praotte - praatte [pro3te1] praotten - praatten [pro3tn] preens - prins [preen1s] preensdommegies - prinsdommetjes [preen1sdome1chys] preensesse - prinses [preen1sese1] prees - [prees] prezen - [preezn] prezen - geprezen [preezn] pries - prijs [prys] priest - prijst [pryst] prieze - prijs ik~[pryze1] priezen - prijzen [pryzn] prikkien - prikje [prikyn] pripneusies - prikneus plant[pripno7sys] prissenteren - presenteren [prise1nteadn] proel - beteuterd [pru1l] proemeboom - pruimenboom #[pru1me1boom] proesien - kliekje [pru1syn] proppen - op'e~[pro1pm] protsen - kwakken s.pl.[pro1tsn] protte - boel veel[prote1] protter - spreeuw [protr] prukien - pruikje [pru2kyn] pulle - pul [pe1le1] punt - [pe1nt] put - [pe1t] R raand - rand [raant] radiostiekelstokkies - - [raadyoustyke1lstokys] raegd - geraagd geschoven[re7cht] raek - raak et was~[re7k] raekelen - stoken rakelen[re7ke1ldn] raeken - raken [re7kng] raekt - raakt [re7kt] raekten - raakten [re7ktn] radt - raadt [rat] raemen - ramen [re7mm] raffelt - praat[raflt] rakkerds - rakkers [rake1rts] rakkien - eindje ~in de wiend[rakyn] rammel - pak~[rame1l] rammelden - [ramme1ldn] rammelen - [ramme1ln] raod - raad [ro3d] raodde - ried [ro3de1] raodden - rieden [ro3dn] raode - raad !&ik~[ro3de1] raode - rade te~[ro3de1] raoden - raden v.[ro3dn] raoden - raden pl[ro3dn] raoden - geraden pl[ro3dn] raodsel - raadsel [ro3tsl] raopen - rapen [ro3pm] raosde - schreeuwde [ro3sde1] raost - schreeuwt [ro3st] raozen - razen &s[ro3zn] raozen - schreeuwen [ro3zn] raozerds - schreeuwers [ro3zrts] rap - snel [rap] rappotten - rapporten [rapo1tn] rats - in de~[rats] rats - scheur ![rats] ratsen - scheuren trekken[ratsn] ratste - scheurde [ratste1] rattelschute - kwekkerd #[ratlsku2te1] rauw - [rau] reageerd - gereageerd [reiacheat] recht - [recht] rechten - pl.[rechtn] van rechten - eigenlijk [fan1rechtn] rechts - [rechts] redden - [redn] redelik - redelijk [reedle1k] reden - [reedn] reden - gereden [reedn] ree - reed [ree] reed - veldweg [reet] reeg - [reech] reenfels - rimpels [reen1fls] reenfelties - rimpeltjes [reen1fltys] reer - raar [rear] reerste - raarste [rearste1] rees - [rees] regeld - geregeld [reeqlt] regen - pret.[reeqng] regen - geregen pret.[reeqng] regenpak - [reeqngpak] reisien - reisje [reysyn] reize - reis &s[reyze1] reizen - [reyzn] rejaol - royaal [re1jo3l] reken - [reikng] rekening - [reike1ning] reket - raket [re1ket] rekke - rek ik~uut[reke1] rekt - [rekt] remaaide - rammeide [re1maaide1] renteloos - [rente1loos] rep - ~en roer[rep] rere - rare [reare1] rest - [rest] reuk - rook pret.[ro7k] reuken - roken pret.pl.[ro7kng] reuken - geroken [ro7kng] reup - riep [ro7p] reupen - riepen [ro7pm] reupen - geroepen [ro7pm] reutemeteut - boel[ro7te1me1to7t] revier - rivier [re1vier] rezen - [reezn] rezen - gerezen [reezn] ribben - [ribm] richt - ~ik[richt] richting - #[richting] ridt - rijdt [rit] rie - rijd ![ry] riede - rijd !&ik~[ryde1] riedels - maten muziek[rydls] rieden - rijden [rydn] riedende - rijdend [rydnde1] rieg - rijg [rych] riege - rijg ik~[ryqe1] riegel - regel [ryql] riegels - regels [ryqls] riegelrechte - regelrechte [ryqlrechte1] riegeltien - rijtje [ryqltyn] riegen - rijgen [ryqng] riegerollen - woelen [ryqe1ro1ldn] riegt - rijgt [rycht] riek - rijk [ryk] rieke - rijke [ryke1] riekstael - rijkstaal #[rykste7l] riempien - rijmpje [rympyn] riepe - rijp adv.[rype1] riest - rijst v.[ryst] riezen - rijzen [ryzn] rikke - roest et~;kiepe-[rike1] rikketik - [rike1tik] rillen - groeven rimpels[rildn] rillings - rillingen [rilings] rimmetiek - rheumatiek [rime1tyk] ring - [ring] ringeldoeve - houtduif [ringlduuve1] rinkien - ringetje [ringkyn] risselvoasies - voorbereidingen ~maeken[rise1le1fo3sys] risseluut - resoluut [rise1lu2t] rit - s.[rit] rittel - hort op'e~[ritl] roddelblatties - roddelblaadjes [ro1dlblatys] roddels - [ro1dls] roeg - ruig wild[ru1ch] roege - ruige [ru1qe1] roegelden - tuimelden [ru1qe1ldn] roegelen - tuimelen [ru1qe1ldn] roegelt - druppelen binnen~[ru1qe1lt] roeien - [ru1ydn] roek - ruik [ru1k] roeke - ruik ik~[ru1ke1] roeken - ruiken [ru1kng] roekersgoed - reukwater [ru1krschu1t] roekt - ruikt [ru1kt] roem - eer[ru1m] roep - [ru1p] roepe - roep ik~[ru1pe1] roepen - [ru1pm] roer - [roer] roes - vleet bi'j de~[ru1s] roesterig - roestig [ru1ste1rch] roet - [ruut] roetdonker - pikdonker [ruutdongkr] roetsen - glijden [ru1tsn] roetst - rukte [ru1tst] rogge - rug [roqe1] rokkien - rokje [ro1kyn] rokt - ruikt [rokt] rollebollen - [ro1lde1bo1ldn] rollen - [ro1ldn] rommel - [roml] rommelbujje - onweersbui [romlbuie1] rommelig - #[rome1le1ch] rommelt - onweert et~[romlt] rommeltien - rommeltje [romltyn] rond - [ront] ronde - adj.[ronde1] rondleidings - rondleidingen #[rontleydings] rondleidster - [rontleytste1r] ronte - rond in de~[ronte1] rontien - rondje [rontyn] rood - [root] roodwit - [rootvit] roodwitte - [rootvite1] rooie - rode [roaie1] rooien - [roaidn] rook - [rook] rooms - katholiek [rooms] roomse - katholieke [roomse1] roppen - rukken [ro1pm] ropt - roept [ro1pt] rot - ~op[ro1t] rotboer - [ro1tboer] rotte - rat [ro1te1] rottige - rotte [ro1te1qe1] roze - roos [rooze1] rozen - [roozn] ruilen - [ruildn] rulen - rollen [ru2ldn] rundvee - [re1ntfee] rust - [re1st] rustig - [re1ste1ch] rutien - ruitje [ru2tyn] ruumte - ruimte [ru2mte1] ruumtekiend - ruimtekind [ru2mte1kynt] ruumtevlocht - ruimtevlucht [ru2mte1flocht] ruun - ruin [ru2n] ruut - ruit [ru2t] ruzie - [ru2zy] S saemenleving - samenleving [se7mmleeving] saemenvoeging - samenvoeging [se7mmfu1qing] saksische - [saksyse1] santemekliek - santekraam [sante1me1klyk] saobelt - sabelt [so3blt] schaad - schaduw [skaat] schaande - schande [skaande1] schaandelik - schandelijk [skaande1le1k] schaans - schans [skaan1s] schade - [skaade1] schaekelpeneel - schakelpaneel [ske7klpe1neel] schaem - schaam [ske7m] schaeme - schaam ik~[ske7me1] schaemele - schamele [ske7me1le1] schaemte - schaamte [ske7mte1] schafte - [skafte1] schalt - [skalt] schamperties - schamper [skamprtys] schandaol - schandaal [skando3l] schaole - schaal [sko3le1] schaoltien - schaaltje [sko3ltyn] schaolties - schaaltjes [sko3ltys] schaop - schaap [sko3p] schaopemelk - schapenmelk #[sko3pe1melk] schaopen - schapen [sko3pm] scharm - scherm [skarm] scharms - schermen pl.[skarms] scharpe - scherpe [skarpe1] scharrelderi'je - gescharrel [skarlde1reie1] schatte - [skate1] scheen - [skeen] Scheene - [skeene1] scheet - [skeet] schei - ~uut[skey] scheide - scheid ik~[skeyde1] scheidde - [skeyde1] scheidden - [skeydn] scheiden - [skeydn] scheiden - gescheiden [skeydn] scheidet - scheidt [skeyde1t] schel - scheld [skel] scheld - geschild [skelt] schelde - schild [skelde1] schelden - schilden [skeldn] schelen - [skeeln] schelle - scheld ik~[skele1] schellen - schelden [skeln] schellen - schillen [skeln] schellen - ~van de ogen[skeln] schenen - [skeenn] schenen - geschenen [skeenn] schenk - [skengk] schenke - schenk ik~[skengke1] schenken - [skengkng] schept - [skept] scheten - [skeetn] scheten - gescheten [skeetn] schets - [skets] scheuf - schoof [sko7f] scheur - [skeor] scheurt - [skeot] scheuren - [skeorn] scheut - schoot [sko7t] scheuten - schoten [sko7tn] scheuten - geschoten [sko7tn] scheuvels - schaatsen &redens[sko7vls] scheuven - schoven [sko7bm] scheuven - geschoven [sko7bm] schiemerlaampien - schemerlampje [skymrlaampyn] schien - schijn [skyn] schiene - schijn ik~[skyne1] schienen - schijnen [skynn] schient - schijnt [skynt] schienwarpers - schijnwerpers [skynvarpe1rs] schiet - [skiit] schiete - schiet ik~[skiite1] schieten - [skiitn] schieten - schijten [skytn] schieterige - prullige [skyte1re1qe1] schieve - schijf &f[skiive1] schieve - scheve [skiive1] schilderi'j - schilderij [skilde1rei] schildwaacht - schildwacht [skildvaacht] schinke - ham [skingke1] schinkt - schenkt [skingkt] schip - [skip] schipsramp - scheepsramp [skipsramp] schit - schijt v.[skit] schitterend - [skite1rnt] schoef - schuif [sku1f] schoele - school [skuule1] schoelegien - schooltje [skuule1chyn] schoelejuf - schooljuf [skuule1je1f] schoelie - [sku1ly] schoem - schuim [sku1m] schoenen - [sku1nn] schoeve - schuif ik~[sku1ve1] schoeven - schuiven [sku1bm] schoewinkel - schoenenwinkel [sku1vingkl] schofferd - buizerd [skofrt] schoffien - poosje [sko1fyn] schoft - schuift [skoft] schoft - pauze [sko1ft] schoft - poos [skoft] schoften - schaften [skoftn] schoftig - schichtig [skofte1ch] schok - [sko1k] schokken - [sko1kng] schölk - schort [sko6lk] schone - [skoone1] schonk - [skongk] schonken - [skongkng] schonken - geschonken [skongkng] schooier - [skoaie1r] schoolder - schouder [skooldr] schoonhied - schoonheid [skoonhyt] schoot - [skoot] schoppe - schop [skope1] schoppelik - schappelijk [skope1le1k] schopt - geschopt [skopt] schostien - schoorsteen [sko1stiin] schostienmaantel - schoorsteenmantel [sko1stiinmaantl] schot - [sko1t] schöt - schiet [sko6t] schotteltien - schoteltje [sko1tltyn] schottelwasken - de-vaat wassen [skotlvaaskng] schrabben - schrappen [skrabm] schraol - schraal [skro3l] schreef - [skreef] schreuf - schroefde [skro7f] schreuven - schroefden [skro7bm] schreuven - geschroefd [skro7bm] schreven - [skreebm] schreven - geschreven [skreebm] schrief - schrijf [skriif] schrieve - schrijf ik~[skriive1] schrieven - schrijven [skriibm] schriever - schrijver &f[skriive1r] schrievers - schrijvers [skriive1rs] schrieversronte - [skriive1rsronte1] schrift - [skrift] schrift - schrijt [skrift] schrik - [skrik] schrikke - schrik ik~[skrike1] schrikken - [skrikng] schrikt - [skrikt] schroef - [skru1f] schroefien - schroefje [skru1fyn] schroeve - schroef ik~[skru1ve1] schroevedri'jer - schroevendraaier [skru1ve1dreie1r] schroeven - [skru1bm] schroft - schroeft [skroft] schrok - [skrok] schrokken - [skrokng] schrokken - geschrokken [skrokng] schruten - schuchter [skru2tn] schruuierige - schroeierige [skru3je1re1qe1] schudde - [ske1de1] schuddeden - schudden [ske1de1de1n] schuddekoppen - het hoofd schudden [ske1de1ko1pm] schudderi'je - geschud [ske1de1reie1] schul - schold [ske1l] schuld - [ske1lt] schullen - scholden [ske1ln] schullen - gescholden [ske1ln] schunnige - [ske1ne1qe1] schurferige - haveloze [ske1rfe1re1qe1] schut - veur~[ske1t] sebiet - subiet [se1byt] segare - sigaar [se1chaare1] segaredeuze - sigarendoos [se1chaare1do7ze1] segarerook - sigarenrook [se1chaare1rook] sekuur - [se1kuer] selon - salon [se1lon] sepiepenboom - lijsterbes [se1pypmboom] sidderen - [side1rn] sieferse - cyperse [syfe1rse1] siepels - uien [sypls] siepeltrienen - onhandige vrouwen [sypltrynn] sieren - ~op[siern] simpeler - [simpe1le1r] simpelweg - [simplvech] singeliers - eigenaardig [singe1liers] sist - v.[sist] sjaalties - sjaaltjes [sjaaltys] sjalen - [sjaaln] sjefeur - chauffeur [sje1feur] sjempottien - jampotje [sjempo1tyn] sjerp - stroop [sjerp] sjeu - verwaandheid een~van[sjo7] sjiek - chic [sjyk] sjoelen - [sjuuldn] sjut - doetje [sje1t] skienen - skiën [skynn] slaachter - slager [slaachtr] slaachtersmessen - slagersmessen #[slaachte1rsmesn] slaachthuus - slachthuis #[slaachthu2s] slaek - slaak ~ie[sle7k] slag - [slach] slao - sla ~'k[slo3] slaon - slaan [slo3n] slaonde - slaande [slo3nde1] slange - slang [slange1] slangegien - slangetje [slange1chyn] slaonderi'je - vechterij [slo3nde1reie1] slaop - slaap [slo3p] slaope - slaap ik~[slo3pe1] slaopen - slapen [slo3pm] slaopen - geslapen [slo3pm] slaopkaemer - slaapkamer #[slo3pke7me1r] slabbe - slab [slabe1] slabbegien - slabje [slabe1chyn] slapt - slaapt [slapt] slat - slaat [slat] sleden - [sleedn] slee - slede [slee] sleep - [sleep] sleet - [sleet] slegies - sleetjes #[sleechys] slepen - [sleepm] slepen - geslepen [sleepm] sleten - [sleetn] sleten - gesleten [sleetn] sleug - sloeg [slo7ch] sleugen - sloegen [slo7qng] sleugen - geslagen [slo7qng] sleup - sliep [slo7p] sleup - sloop [slo7p] sleupen - sliepen [slo7pm] sleupen - slopen [slo7pm] sleupen - geslopen [slo7pm] sleut - sloot [slo7t] sleutel - [slo7tl] sleuten - sloten [slo7tn] sleuten - gesloten [slo7tn] slief - slungel grote~[sliif] sliefies - pollepeltjes [sliifys] sliep - slijp [slyp] sliepe - slijp ik~[slype1] sliepen - slijpen [slypm] sliept - slijpt [slypt] sliepuut - sliepuit [slypu2t] sliet - slijt [slyt] sliete - slijt ik~[slyte1] slieten - slijten [slytn] slieven - sukkels pollepels[sliivn] sli'je - sleg hamer[sleie1] slikkebekkende - likkebaardend [slike1bekngde1] slim - erg [slim] slimme - erg adv.[slime1] slimme - erge [slime1] slimmer - [slime1r] slimsten - ergste de~[slimstn] slingeren - [slinge1rn] slingert - [slinge1rt] slinken - [slingkng] slinkt - [slingkt] slippers - [slipe1rs] slippien - slipje [slipyn] slit - slijt [slit] slobber - koffie spoeling[slobr] sloden - sloten [sloodn] sloeg - slaperig [slu1ch] sloeg - suf [slu1ch] sloege - suffe [slu1qe1] sloegen - dutten [slu1gng] sloegerd - suffer [slu1qrt] sloekstattend - stiekem bang[slu1kstatnt] sloep - sluip [slu1p] sloepe - sluip ik~[slu1pm] sloepen - sluipen [slu1pm] sloepstattende - druipstaartend [slu1pstatnde1] sloeren laoten - laten liggen #[sloerdnle7tn] sloerzak - - vergeetboek[sloerzak] sloft - [sloft] slok - [slok] slompe - hoop ~centen[slompe1] op e slompe - afgezakt [ope1slompe1] slonk - [slongk] slonken - [slongkng] slonken - geslonken [slongkng] slonterboksen - - sloddervos#[slontrboksn] sloot - [sloot] slop - slap [slo1p] sloppentaoien - - slappeling[slo1pmto3ye1n] slopt - sluipt [slopt] slot - [slo1t] slöt - sluit [slo6t] slotien - slootje [slootyn] slute - sluit ik~[slu2te1] sluten - sluiten [slu2tn] sluut - sluit [slu2t] smachtende - [smachtnde1] smaek - smaak [sme7k] smaekelik - smakelijk [sme7ke1le1k] smaekt - smaakt [sme7kt] smeerselties - smeerseltjes [smearsltys] smeert - [smeart] smeet - [smeet] smelen - smalen [smeeln] smeren - [smeardn] smerig - [smeare1ch] smerige - [smeare1qe1] smeten - [smeetn] smeten - gesmeten [smeetn] smiecht - [smycht] smiet - smijt [smyt] smiete - smijt ik~[smyte1] smieten - smijten [smytn] in de smiezen - in de gaten [inde1smiizn] smit - smijt [smit] smoege - epidemie [smuuqe1] smoegt - stinkt ?[smuucht] smoeke - behaaglijke luwe[smu1ke1] smoekies - knus [smu1kys] smoest - [smuust] smu - soepel [smu2] smult - smelt [sme1lt] smulte - smelt ik~[sme1lte1] smulten - smelten [sme1ltn] smulten - gesmolten [sme1ltn] smultte - smolt [sme1lte1] smultten - smolten [sme1ltn] smurrie - #[sme1ry] snaaien - [snaaidn] snaorske - schoonzuster [sno2rske1] snappe - snap ik~[snape1] snee - snede [snee] sneut - snoot [sno7t] sneuten - snoten [sno7tn] sneuten - gesnoten [sno7tn] snidt - snijdt [snit] snied - snijd [snyt] sniede - snijden ik~[snyde1] snieden - snijden [snydn] sni'j - sneeuw [snei] sni'jen - sneeuwen [sneidn] sni'jt - sneeuwt [sneit] sneuf - snoof [sno7f] sneuven - snoven [sno7bm] sneuven - gesnoven [sno7bm] snips - sip [snips] snit - snijdt [snit] snoek - [snu1k] snoeven - snuiven [snu1bm] snoft - snuift [snoft] snood - [snoot] snor - zit~[sno1r] snorfiets - [sno1rfyts] snorkende - snurkende [sno1rkngde1] snort - [sno1rt] snufferd - #[sne1fe1rt] snute - snuit s.&ik~[snu2te1] snuten - snuiten [snu2tn] snuuien - snoeien rondsnuffelen[snuidn] snuut - snuit v.[snu2t] soberder - [soobrdr] sodemieter - mieter [soode1mytr] sodewaeter - sodawater #[soode1ve7tr] soep - [su1p] soepe - karnemelk [su1pe1] soepenbri'j - karnemelksepap [su1pmbrei] soepengottenbri'j - karnemelksegortpap #[su1pmgo1tnbrei] soepenmaelenbri'j - karnemelksemeelpap #[su1pmme7lnbrei] soepien - soepzoodje [su1pyn] soepslief - soeplepel [su1psliif] soeze - dommel &s[suuze1] soezebroeken - lopen suffen [suuze1bru1kng] soezen - dommelen [suuzn] soezerig - dommelig[suuze1re1ch] soezeri'je - gedommel [suuze1reie1] sokken - [so1kng] soldaoten - soldaten [so1ldo3tn] solsetaosiekemissie - sollicitatiecommissie [so1lse1to3syke1misy] solseteren - soliciteren [so1lse1teadn] somber - [sombr] soms - [soms] somstieden - somtijds [somstydn] soort - [soart] soorte - soort [soarte1] soortement - [soarte1ment] soorten - [soartn] sop - soep de~;3-67[so1p] spannend - [spannt] spantouwen - #[spantaudn] spat - gien~[spat] spataoren - spataders #[spato2rn] spattelende - spartelende [spate1le1nde1] spatter - spetter [spate1r] spatterd - gespetterd [spatrt] speerkaorten - spaarkaarten [spearko2rtn] speet - [speet] spek - [spek] spekkies - spekjes [spekys] spektaokel - spektakel [spekto3kl] spelle - spel ik~[spele1] speren - s.pl.[speardn] speren - sparen v.[speardn] speten - [speetn] speten - gespeten [speetn] speuld - gespeeld [spo7lt] speulde - speelde [spo7lde1] speulen - spelen [spo7ldn] speulgoed - speelgoed [spo7lchu1t] speuls - speels [spo7ls] speult - speelt [spo7lt] spiegelbeeld - [spyqlbeelt] spiekerbroek - spijkerbroek [spykrbru1k] spiekert - spijkert [spykrt] spieren - [spierdn] spiet - spijt [spyt] spieten - spijten [spytn] spietig - jammer [spyte1ch] spi'jen - spuwen [speidn] spi'jzakken - spuwzakken [speizakng] spin - [spin] spinne - spin ik~[spine1] spinnen - [spinn] spint - [spint] spinnevoeten - spartelen [spine1fu1tn] spinraggien - spinnewebje [spin1rachyn] spitten - [spitn] spleet - [spleet] spleten - [spleetn] spleten - gespleten [spleetn] spliet - splijt [splyt] spliete - splijt ik~[splyte1] splieten - splijten [splytn] splinterni'j - splinternieuw [splintrnei] split - [split] spoeken - spoken [spuukng] Spoekepoele - ? [spuuke1puule1] sporen - [spoardn] spraokmaekender - spraakmakender #[spro3kme7kngdr] sprak - [sprak] sprakken - spraken [sprakng] sprekt - spreekt [sprekt] spreek - ~ik[spreek] spreekbeurten - [spreekbeortn] spreke - spreek ik~[spreeke1] spreken - [spreekng] spreuken - gesproken [spro7kng] spring - ![spring] springe - ik~[springe1] springen - [springng] springt - [springt] sprong - [sprong] sprongen - [sprongng] sprongen - gesprongen [sprongng] spuiten - [spo5tn] spul - spel [spe1l] spullegien - zaakje [spe1le1chyn] spullegies - spelletjes [spe1le1chys] sputtert - (~tegen}[spe1trt] staandbeeld - standbeeld [staandbeelt] stad - [stat] stads - [stats] staelties - steeltjes [ste7ltys] staepel - [ste7pl] staepelgek - stapelgek [ste7plchek] staf - [staf] stak - [stak] stakken - staken [stakng] stal - s.&v.[stal] stalleboel - [stale1bu1l] stammen - v.[stamm] stand - [stant] stao - sta ~ik[sto3] staon - staan [sto3n] staon - gestaan [sto3n] staorigan - langzamerhand [sto2re1chan] staot - staat in~[sto3t] staot - staat ~op maeken[sto3t] staotsgreep - staatsgreep [sto3tschreep] stappen - [stapm] stapt - [stapt] stapte - [stapte1] stapten - [staptn] stark - sterk [stark] starke - sterke [starke1] starker - sterker [starkr] starf - sterf [starf] starft - sterft [starft] starve - sterf ik~[starve1] starven - sterven [starbm] stat - staart [stat] statpannegien - steelpannetje [statpane1chyn] stee - plaats de~[stee] steeg - [steech] stegen - [steeqng] steigeren - [steyqe1rn] steil - [steyl] steilgek - stapelgek [steylchek] stel - ![stel] stelen - [steeldn] stellegien - stelletje [stele1chyn] stellen - stellen [steldn] Stellingwarven - Stellinwerven [stelingvarbm] Stellingwarfs - Stellingwerfs [stelingvarfs] stelt - [stelt] stelsenties - pullen [stelsntys] stem - [stem] stemd - gestemd [stemt] stemme - stem ik~[steme1] stemme - stem sbst.[steme1] stemmegien - stemmetje [steme1chyn] stemmen - [stemm] sterrebeeld - [stere1beelt] steuken - gestoken [steukng] steul - stal [sto7l] steulen - stalen [sto7ldn] steulen - gestolen [sto7ldn] steunt - jammert[sto7nt] steurde - stoorde [steorde1] steuven - stoven [steubm] steuven - gestoven [steubm] stevige - &f[steive1qe1] stief - stijf [styf] stieg - stijg [stych] stiege - stijg ik~[styqe1] stiegen - stijgen [styqng] stiegt - stijgt [stycht] stiekel - stekel [stykl] stiekeldraod - prikkeldraad [stykldro3t] stiekelstokkies - - [styklstokys] stiekeltyn - stekeltje [stykltyn] stiekem - [styke1m] stiekempiesweg - stiekemweg [styke1mpyswech] stiems - koppig mokkend;stuurs[stiims] stienen - stenen [stiinn] stienpoesten - steenpuisten [stiinpu1stn] Stienwiek - Steenwijk [Stiinwyk] stiesiekoorn - manchester stof#[stysykoarn] stiet - staat v.&staot[styt] stieve - stijve [styve1] stiever - stijver [styve1r] stik - steek [stik] stikke - steek ik~[stike1] stikke - tuier de~[stike1] stikkeduuster - pikdonker [stike1du2str] stikken - steken [stikng] stikt - steekt [stikt] stil - adj.[stil] stille - stil adv.[stile1] stilte - [stilte1] stink - [stingk] stinke - stink ik~[stingke1] stinken - [stingkng] stinkt - [stingkt] stip - [stip] stippien - stipje [stipyn] stobbe - boomstronk [stobe1] stoef - stug [stu1f] stoef - stuif [stuuf] stoeken - steken blijven~[stu1kng] stoekte - [stu1kte1] stoel - [stuul] stoelen - [stuuldn] stoeltien - stoeltje [stuultyn] stoepe - stoep [stu1pe1] stoeve - stuif ik~[stuuve1] stoeven - stuiven [stuubm] stoezeboolte - lisdodde vrucht#[stuuze1boolte1] stofien - stoofje [stoofyn] stoft - stuift [stoft] stofzoegen - stofzuigen &q[sto1fsuugng] stok - [sto1k] stok - stuk s.[stok] stokken - stukken [stokng] stokkien - stokje [sto1kyn] stokkien - stukje &o1[stokyn] stokkende - kapotte [stokngde1] stokmennig - enige 'n~[stokmenich] stom - [stom] stomme - [stome1] stomme - erg adv.[stome1] stomp - [stomp] stomste - [stomste1] stomverbaesd - stomverbaasd #[stomfe1rbe7st] ston - stond [ston] stonk - [stongk] stonken - [stongkng] stonken - gestonken [stongkng] stonnen - stonden [stonn] stoofpeerties - stoofpeertjes &e2[stoufpeartys] stoot - [stoot] stootte - [stoote1] stootten - [stootn] stop - [sto1p] stoppelbaord - stoppelbaard #[sto1plbo2rt] stoppen - [sto1pm] stopt - [sto1pt] stopte - [sto1pte1] storm - [sto1rm] stormvoegels - stormvogels [sto1rmfu1qls] stot - stoot &stoot[stot] stote - stoot ik~[stoote1] stoten - [stootn] stoten - gestoten [stootn] stove - stoof s.[stoove1] straampelen - strompelen [straampe1ldn] straampelt - strompelt [straamplt] straand - strand [straant] stranen - stranden [straann] strak - [strak] strakke - [strake1] strakkies - straks strakjes[strakys] stram - [stram] straole - straal [stro3le1] straolt - straalt [stro3lt] straolties - straaltjes [stro3ltys] straote - straat [stro3te1] straotvegers - straatvegers [stro3tfeeqrs] streden - [streedn] streden - gestreden [streedn] streed - [street] streek - [streek] streek - buurt [streek] streep - [streep] streken - [streekng] streken - gestreken [streekng] strepien - streepje [streepyn] stridt - strijdt [strit] stried - strijd [stryt] striede - strijd !;ik~[stryde1] strieden - strijden [strydn] striedpunt - strijdpunt [strytpe1nt] strieke - strijk ik~[stryke1] strieken - strijken [strykng] striemen - [strymm] stri'jde - strooide [streide1] stri'jen - strooien [streidn] strik - das et~[strik] strikt - strijkt [strikt] strippen - v.[stripm] stroever - stugger [stru1ve1r] stroffelen - struikelen [strofe1ldn] stroffelt - struikelt [stroflt] stroom - [stroum] stroomt - [stroumt] strotte - strot [stro1te1] struken - struiken [stru2kng] strunen - sluipen [stru2nn] strupen - (aan)trekken kleren[stru2pm] struun - loertocht op'e[stru2n] struun - eropuit op'e~[stru2n] struupt - trekt ~uit[stru2pt] studeert - [stu2deart] stuit - moment [sto5t] stuiten - [sto5tn] sturen - [stuerdn] sturf - stierf [ste1rf] sturven - stierven [ste1rbm] sturven - gestorven [ste1rbm] stuur - [stuer] stuurd - gestuurd [stuet] stuver - stuiver [stu2vr] sufferds - [se1fe1rts] suiselt - treuzelt [suislt] sukerbollen - suikerbroden [su2krbo1ldn] suksesnommer - succesnummer [se1ksesnome1r] sullige - [se1le1qe1] sund - sinds [se1nt] Sunnege - Sonnega [se1ne1qe1] Sunt - Sint [se1nt] supermark - supermarkt [su2pe1rmark] sussen - [se1sn] T tachtig - [tachte1ch] taekelwaegen - takelwagen #[te7klve7gng] tael - taal [te7l] taetert - snatert kwebbelt[te7trt] taferieltien - tafereeltje [taafe1riiltyn] takkemaeken - takkenbinden #[take1me7kng] tal - ~van[tal] tanen - tanden [taann] tanepoetsers - tandenpoetsers [taane1pu1tse1rs] tange - tang [tange1] tangegien - tangetje [tange1chyn] tante - [tante1] taofel - tafel [to3fe1l] taofeltien - tafeltje [to3fe1ltyn] taofelzwilkien - tafelzeiltje &sv[to3fe1lsvilkyn] taoi - taai #[to3j] taoier - taaier #[to3je1r] t'aovend - vanavond [to2vnt] tapte - [tapte1] targend - tergend [tarqe1nt] tarpentienmiegers - terpentijnzeikerds [tarpe1ntynmyqrs] tasse - tas [tase1] tassien - tasje [tasyn] te - [te1] tebak - tabak [te1bak] teerde - vouwde [tearde1] tegels - [teeqls] tegen - [teiqng] tegenan - tegenaan [teiqngan] tegenover - [teiqngouve1r] tegenwoordig - tegenworig[teiqngvoare1ch] tegere - tegere met z'n beiden;&e2[te1cheare1] tekens - [teekngs] tekotten - tekorten #[te1ko1tn] tel - s.[tel] tel - een~[tel] teleurstelling - [te1leorsteling] telle - tel ik~[tele1] tellen - [teldn] telt - [telt] temeensen - tenminste [te1mein1sn] ten - ~onder[ten] teniel - toneel [te1niil] tente - tent [tente1] tentien - tentje [tentyn] terechte - terecht [te1rechte1] teren - vouwen s.pl.[teardn] terogge - terug [te1roqe1] terpe - terp [terpe1] terwinkel - klap #[trvingkl] tessel - kieskeurig #[tesl] teugen - s.pl.[to7qng] teuten - roddelen [to7tn] teuterds - roddelaars [to7trts] teuteri'je - geroddel [to7te1reie1] teveuren - tevoren [te1feorn] tevreden - [te1freedn] thee - [tei] theekanne - theekan [teekane1] theepaanties - theeschoteltjes [teepaantys] thuus - thuis [tu2s] thuuskommen - thuiskomen [tu2skomm] tied - tijd [tyt] tiedens - tijdens [tydns] tiedinge - tijding ~doen[tydinge1] tiedlaank - tijdlang [tydlaangk] tieke - teek [tyke1] tiele - wasteil [tiile1] tielen - wasteilen [tiiln] tien - [tyn] tiene - tien [tyne1] tiende - [tynde1] tientallen - [tyntaldn] tienties - tientjes #[tyntys] tiepelt - frutselt [typlt] tiert - [tiert] tiewerds - klieren kind[tywe1rts] tieze - war in de~[tiize1] tiezen - warren [tiizn] ti'je - tenen [teie1] tikkeltien - tikkeltje [tikltyn] tikkies - tikjes [tikys] tillefoon - telefoon [tile1foon] tillevisie - televisie &f[tile1vysy] timmerknecht - [time1rknecht] timpies - hompjes [timpys] tippien - tipje [tipyn] tjaantelen - wauwelen [tjaante1ln] tobbe - teil [tobe1] tobbegien - teiltje [tobe1chyn] toch - [to1ch] tocht - [to1cht] toe - [tu1] toefien - plukje ~haar[tu1fyn] toefte - pluk ~haar[tu1fte1] toegaot - toegaat [tu1cho3t] toegelieke - tegelijk [tu1che1lyke1] toegeliekertied - tegelijkertijd [tu1che1lyke1rtyt] toeke - tak [tu1ke1] toeken - feeksen [tu1kng] toekem - komende [tu1km] toekien - takje [tu1kyn] toekikt - toekijkt #[tu1kikt] toekocht - bekaf [tu1ko1cht] toekomst - [tu1komst] toeren - over de~[toerdn] toeren - v.[toerdn] toespeuling - toespeling [tu1spo7ling] toestellegies - toestelletjes [tu1stele1chys] toeten - toeteren [tu1tn] toevaalt - meevalt [tu1faalt] toevalen - meevallen [tu1faaldn] toevertrouwd - #[tu1fertraut] toffel - pantoffel [tofe1l] toffelde - stapte [toflde1] toffelen - stappen [tofe1ldn] togen - sjouwen [tooqn] tonge - tong [tonge1] tongegien - tongetje [tonge1chyn] tonnen - [tonn] top - [to1p] topdag - [to1pdach] topspeulder - topspeler #[to1pspo7ldr] torenhoge - [toardnhooqe1] torenties - torentjes [toardntys] tot - [to1t] totda'k - totdat ik [to1tdak] totdat - [to1tdat] touw - [tau] toveren - [toove1rdn] trakteert - [trakteat] traoge - traag [tro3qe1] trapeerd - betrapt part.[trapeart] trappe - trap [trape1] trappen - v.[trapm] treden - s.pl.[treedn] tree - trede [tree] tref - [tref] trefien - onderzetter [treefyn] trefies - onderzetters [treefys] treffe - tref ik~[trefe1] treffen - [trefn] treft - [treft] trek - ![trek] trekke - trek ik~[treke1] trekkebekken - #[treke1bekng] trekken - [trekng] trekkien - trekje [trekyn] trekkies - trekjes [trekys] trekpleister - [trekpleystr] trekt - [trekt] triest - [tryst] trillende - [trildnde1] troep - rommel[tru1p] trof - [trof] troffen - [trofn] troffen - getroffen [trofn] trok - [trok] trokken - [trokng] trokken - getrokken [trokng] tromgeroffel - #[tromche1rofl] troosten - [troostn] trouw - adv.#z[trau] trouwd - getrouwd [traut] trouwens - [traue1n1s] trouweri'je - trouwerij [traue1reie1] tsja - [tsja] tsjonge - [tsjonge1] tuffen - v.[te1fn] tule - melkstoeltje [tu2le1] tunen - tuinen [tu2nn] tuntelen - verluiden ~heurd[te1ntldn] turf - [te1rf] turflaand - turfland [te1rflaant] tussen - [te1se1n] tussendeur - tussendoor [te1sndeor] tuten - zoenen s.pl.[tu2tn] tutering - tureluur [tu2te1ring] tutte - troela [te1te1] tutterig - tuttig [te1te1re1ch] tuun - tuin [tu2n] tuunkaone - afrikaantje [tu2nko3ne1] tuunman - tuinman [tu2nman] tuut - zoen [tu2t] twaelf - twaalf twelven[twe7lf] tweernen - twisten zeuren[tvearnn] twie - twee [tvy] twiede - tweede [tvyde1] twiedens - ten tweede &tn[tvydns] twieduzend - tweeduizend [twiidu2znt] twiefel - twijfel [tvyfe1l] twieje - twee [tviije1] twieling - tweeling [tvyling] twielochten - schemering [twylochtn] twienentwintig - tweeëntwintig #[tvydntvinte1ch] twienenvuuftig - tweeënvijftig #[tviinnfu2fte1ch] twietaelig - tweetalig [tvyte7le1ch] Twietel - [twytl] twintig - [tvinte1ch] U ure - uur [uere1] uterlik - uiterlijk [u2trle1k] uterst - uiterst [u2trst] utters - spenen [e1trs] uurtien - uurtje [uertyn] uut - uit [u2t] uutbasten - uitbarsten [u2tbastn] uutblieven - uitblijven [u2tbliibm] uutbraokt - uitgebraakt woorden~[u2tbro3kt] uutbundig - uitbundig #[u2tbe1nde1ch] uutdeukt - uitgedeukt [u2tdo7kt] uutgaank - uitgang [u2tchaangk] uutgifte - uitgifte [u2tchifte1] uuthaele - uithaal ik~#[u2the7le1] uutkraomen - uitkramen [u2tkro3mm] uutlekken - uitlekken [u2tlekng] uutloeren - uitkijken de diek~[u2tloerdn] uutneudigd - uitgenodigd [u2tno7de1cht] uutperbeert - uitprobeert #[u2tpe1rbeart] uutraekte - uitraakte [u2tre7kte1] uutschellen - uitschelden [u2tskeldn] uutstrupen - uitdoen kleding~[u2tstru2pm] uuttekend - uitgetekend [u2teekngt] uutvanhuus - uit logeren [u2tfanhu2s] uutveegd - uitgeveegd sporen~[u2tfeecht] uutvere - uitvaar dat ik~tegen[u2tfeare1] uutvunnen - uitgevonden [u2tfe1nn] uutzeten - uitgezeten rit~[u2tseetn] uutzundering - uitzondering [u2tse1nde1ring] V vaal - val ~ie[faal] vaalt - valt &a[faalt] vaaste - vast [faaste1] vaastebunnen - vastgebonden [faaste1be1nn] vaastholende - vasthoudende [faasthooldnde1] vaderlaand - vaderland #[faadrlaant] vaeke - vaak [fe7ke1] vaeker - vaker [fe7kr] vak - [fak] vale - val ik~[faale1] valen - vallen &a[faaldn] valen - gevallen [faaldn] van - &o[fan] vanaachter - vanachter [fanaachtr] vanaovend - vanavond [fano3vnt] vandaege - vandaag [fande7qe1] vandaegededag - vandaag de dag tegenwoordig[fande7qe1de1dach] vandemiddag - vanmiddag [fande1midach] vandemorgen - vanmorgen [fande1mo1rqng] vandezoemer - deze zomer #[fande1su1mr] vang - [fang] vange - vang ik~[fange1] vangen - [fangng] vangnet - [fangnet] vangt - [fangt] vannaacht - vannacht [fanaacht] vanneuden - nodig [fano7dn] vanof - vanaf #[fano1f] vanwendig wezen - heimwee hebben [fanvende1chveezn] vanzels - vanzelf [fan1sels] vaort - vaart [fo2rt] varfien - verfje [farfyn] varken - [farkng] varkenrieders - varkensvervoerders [farkngrydrs] varkenvleis - varkensvlees [farkngfleys] varve - verf [farve1] varven - verven [farbm] varver - schilder [farve1r] vecht - &![fecht] vechte - vecht ik~[fechte1] vechten - [fechtn] veearts - [feearts] veegt - [feecht] veen - [feen] veenties - appelsoort [feentys] veer - ver [fear] veerder - verder [feadr] veerderop - verderop [feadrop] veerste - verste [fearste1] veert - [feat] veerte - verte [fearte1] veertien - [feartyn] veertig - [fearte1ch] veerweg - verweg [fearvech] vegen - [feegng] veilig - [feyle1ch] vekaansie - vacantie [fe1kaan1sy] vekaansietied - vacantietijd [fe1kaan1sytyt] vel - [fel] veld - [felt] et Vene - Heerenveen [e1tfeine1] vene - veen [feene1] vent - [fent] ventenlok - reukwater [fentnlo1k] ventien - ventje [fentyn] veraanderen - veranderen [fe1raande1rn] verantwoord - #[fe1rantvoat] verbaozen - verbazen [fe1rbo3zn] verbelinge - verbeelding [fe1rbeelinge1] verbiening - verbinding [fe1rbyning] verbreuken - verbroken [fe1rbro7kng] verbroezen - opgaan in't wark~[fe1rbruuzn] verbunnen - verbonden #[fe1rbe1nn] verburgen - verborgen [fe1rbe1rgng] verdiende - [fe1rdiinde1] verdiepings - verdiepingen [fe1rdypings] verdikkeme - [fe1rdike1me1] verdoffeld - uitgeput [fe1rdoflt] verduld - verduiveld [fe1rde1lt] verdulleme - verdraaid ~nog an toe![fe1rde1le1me1] verdween - [fe1rdveen] verdwenen - pret.&part.[fe1rdveenn] verdwien - verdwijn [fe1rdvyn] verdwiene - verdwijn ik~[fe1rdvyne1] verdwienen - verdwijnen [fe1rdvynn] verdwient - verdwijnt [fe1rdvynt] vere - verre adj.pl.[feare1] verempeld - waarempel [fe1remplt] vergaloppeert - [fe1rchalo1peart] vergaon - vergaan [fe1rcho3n] vergat - [fe1rchat] vergatten - vergaten [fe1rchatn] vergeef - [fe1rcheef] vergeerdering - vergadering [fe1rchearde1ring] vergeet - [fe1rcheet] vergeleken - [fe1rche1leekng] vergenoegd - [ferche1nu1cht] verget - vergeet [fe1rchet] vergete - vergeet ik~[fe1rcheete1] vergeten - pres.&part.[fe1rcheetn] vergeven - [fe1rcheevn] vergriemen - vermorzelen [fe1rchriimm] vergriep - vergrijp [fe1rchryp] verhael - [fe1rhe7l] verhaelties - [fe1rhe7ltys] verhip - loop naar de maan ![fe1rhip] verhipte - verduivelde [fe1rhipte1] verhogen - [fe1rhouqng] verhoopt - verheugd op~[fe1rhoopt] verhulpen - verholpen [fe1rhe1lpm] verieninge - vereniging [fe1riininge1] verhuuswaegen - verhuiswagen [fe1rhu2sve7qng] verienings - verenigingen [fe1riinings] verkeerd - [fe1rkeart] verkeren - [fe1rkeardn] verklap - [fe1rklap] verklappen - [fe1rklapm] verklapt - [fe1rklapt] verklikken - [fe1rklikng] verklumen - verkleumen [fe1rklu2mm] verknald - [fe1rknalt] verkocht - [fe1rko1cht] verlangsten - verlangens [fe1rlangstn] verleden - [fe1rleedn] verleeg - verlaag ![fe1rleech] verlegen - verlagen [fe1rleeqng] verlegen - [fe1rleiqng] verleided - verleid part.[fe1rleyde1t] verleidelik - verleidelijk [fe1rleyde1le1k] verlekker - ![fe1rlekr] verlengen - [fe1rlengng] verlet - behoefte ~van[fe1rlet] verleur - verloor [fe1rleor] verleuren - verloren pret.&part.[fe1rleorn] verlies - [fe1rliis] verlieze - verlies ik~[fe1rliize1] verliezen - [fe1rliizn] verlochten - verlichten [fe1rlochtn] verlös - verlies s.[fe1rlo6s] verlöst - verliest s.[fe1rlo6st] verluden - verluiden [fe1rlu2dn] vermoedelik - vermoedelijk [fe1rmu1de1le1k] vermoedende - [fe1rmu1dnde1] vermotten - vergooien [fe1rmo1tn] vernumen - vernoemen [fe1rnu2mm] vernuumd - vernoemd [fe1rnu2mt] vernuveren - vermaken amuseren[fe1rnu2ve1rn] verpatte - verdeelde pret.[fe1rpate1] verpoffe - vertik ik~[fe1rpofe1] verpoffen - vertikken [fe1rpofn] verradt - verraadt [fe1rat] verreden - wodt 'n wedstried~[fe1reedn] verrekkeling - mispunt [fe1reke1ling] verroest - [fe1ru1st] verrot - [fe1ro1t] verscheuven - verschoven [fe1skeubm] verschil - [fe1rskil] verschoeven - verschuiven [fe1rskuubm] verschrikkelik - verschrikkelijk [fe1rskrike1le1k] versieren - [fe1rsierdn] verslaegen - verslagen s.pl.[fe1rsle7gng] verslag - [fe1rslach] verslegen - verslagen part.[fe1rsleeqng] verslaon - verslaan [fe1rslo3n] verslat - verslaat [fe1rslat] versloeren - verwaarlozen ~laoten[fe1rsloerdn] versmeren - vervuilen [fe1rsmeardn] versmoren - omkomen ~in de drokte[fe1rsmoardn] verspiekerd - vertimmerd [fe1rspykrt] verstaand - verstand &a&r[fe1staant] verstarkt - versterkt [fe1rstarkt] geite verstikken - naar achteren ~moeten[cheyte1fe1rstikng] verstopt - [fe1rsto1pt] verstoten - [fe1rstootn] verstruupt - verkleed [fe1rstru2pt] vertaeld - vertaald [fe1rte7lt] vertegenwoordigt - [fe1rteeqngvoarde1cht] vertel - ![fe1rtel] vertelle - vertel ik~[fe1rtele1] verteld - [fe1rtelt] vertellen - [fe1rteldn] vertellegies - verhaaltjes [fe1rtele1chys] vertelt - [fe1rtelt] vertonen - [fe1rtoonn] vertoont - [fe1rtoant] vertrek - [fe1trek] vertrouwd - [fe1traut] vertrouwen - s.[fe1rtraudn] vertwiefeld - vertwijfeld [fe1rtvyflt] vervat - verdacht ~op[fe1rfat] verveken - bekrast versneden[fe1rfeekng] vervelend - [fe1rfeelnt] vervolg - [fe1rfo1lch] verwaacht - verwacht [fe1rvaacht] verwaachten - verwachten [fe1rvaachtn] verwarken - verwerken [fe1rvarkng] verwend - [fe1rvent] verweet - [fe1rveet] verweten - pret.&part.[fe1rveetn] verwiet - verwijt [fe1rvyt] verwiete - verwijt ik~[fe1rvyte1] verwieten - verwijten [fe1rvytn] verzet - [fe1rset] verzin - vergissing [fe1rsin] verzind - vergist part.[fe1rsint] verzinne - vergis ik~[fe1rsine1] verzinnen - vergissen [fe1rsinn] verzopt - verzuipt [fe1rsopt] verzunnen - verzonnen [fe1rse1nn] verzunnen - verzonden [fe1rse1nn] vesite - visite [fe1zyte1] vessien - vestje [fesyn] vet - [fet] vetsliefien - juslepel [fetsliifyn] vette - [fete1] vetweide - luilekkerland [fetveyde1] veur - voor &fe1r[feor] veural - [feoral] veurbereided - voorbereid #[feorbe1reyde1t] veurbi'j - voorbij [feorbei] veurdaj't - voordat je het [feordayt] veurdat - voordat [feordat] veurdawwe - voordat we [feordave1] veurdeure - #[feordeore1] veurdiel - voordeel [feordiil] veurdoen - voordoen [feordu1n] veurdreegt - voordraagt [feordreicht] veurdregen - voordragen [feordreiqng] veurgevel - voorgevel &f[feorcheive1l] veurgoed - voorgoed [feorchu1t] veurheufd - voorhoofd #[feorho7ft] veurig - vorig [feore1ch] veurige - vorige [feore1qe1] veurjaor - voorjaar [feorjo2r] veurkommens - voorkomens vóór-[feorkomms] veurnaem - voornaam [feorne7m] veurnaemelik - voornamelijk [feorne7me1le1k] veurofgaonde - voorafgaande [feoro1fcho3nde1] veurop - voorop [feorop] veurschien - [feorskyn] veurschottelen - voorschotelen [feorsko1te1ln] veurste - voorste [feorste1] veurstel - voorstel #[feorstel] veuruut - vooruit [feoru2t] veurzitster - voorzitster #[feorsitste1r] vien - vind [fyn] viene - vind ik~[fyne1] vienen - vinden [fynn] vier - [fier] vierd - gevierd [fierd] vierde - [fierde1] vierdens - ten vierde [fierdns] viere - vier [fiere1] vieren - [fiern] vierend - vieren mit 'n~[fiernt] vies - [fys] te vieter - te pakken ~neumen[te1fytr] viever - vijver [fiivr] vieze - [fyze1] vi'jaand - vijand [feiaant] vi'janen - vijanden [feiaann] vingers - [fingrs] vinkien - vinkje [fingkyn] vint - vindt [fint] viskarre - viskar [fiskare1] visken - vissen v.[fiskng] viskers - vissers [fiskrs] vlaegen - vlagen [fle7qng] vlagge - vlag [flaqe1] vlaggies - vlagjes [flachys] vlak - [flak] vlakte - [flakte1] vlecht - [flecht] vlechte - vlecht ik~[flechte1] vlechten - [flechtn] Vledder - [flede1r] vleer - vlier [flear] vleermoeze - vleermuis [flearmuuze1] vleerpollen - vlierstruiken [flearpo1ldn] vleert - sneert [fleart] vleis - vlees [fleys] vleug - vloog [flo7ch] vleugen - vlogen [flo7qng] vleugen - gevlogen [flo7qng] vlieg - ~ik[flych] vliege - vlieg ik~&s.[flyqe1] vliegen - [flyqng] vliegtugien - vliegtuigje #[flychtu2chyn] vliegtugies - vliegtuigjes #[flychtu2chys] vliemscharp - vlijmscherp [flymskarp] vligt - vliegt [flicht] vlinder - [flindr] vlocht - [flocht] vlocht - vlucht s.[flocht] vlochten - pl.&pret.[flochtn] vlochten - gevlochten [flochtn] vloeren - [floedn] vlooiebaentien - vlooienbandje #[floaie1be7ntyn] vlot - [flo1t] vocht - v.[focht] vochten - [fochtn] vochten - gevochten [fochtn] vodde - vod [fode1] voddegien - vodje [fode1chyn] vodden - [fodn] vodden - lurven bi'j de~[fodn] voege - onnozele geringe[fuuqe1] voegels - vogels [fu1qls] voegeltien - vogeltje [fu1qltyn] voere - voer ik~an[foere1] voeren - [foerdn] voeskt - drukt de hand ~mit[fu1skt] voest - vuist [fu1st] voet - [fu1t] voetbalders - voetballers [fu1tbaldrs] voete - voet [fu1te1] voeten - [fu1tn] vol - [fol] voldaon - voldaan [foldo3n] voldoej' - voldoe je [foldu1j] voldongen - [foldongng] voldot - voldoet [foldot] vole - vouw ik~[foole1] volefebriek - veulenfabriek [foole1fe1bryk] volen - veulens [fooln] volen - vouwen [fooln] volen - gevouwen [fooln] volgde - [fo1lqde1] volgende - [fo1lqe1nde1] volholen - #[folhooldn] volk - [fo1lk] volle - [fole1] volop - [folop] volschellen - volschelden [folskeldn] vong - ving [fong] vongen - vingen [fongng] vongen - gevangen [fongng] vool - veulen de~?[fool] vool - vouw v.[fool] voolde - vouwde [foolde1] voolden - vouwden [fooldn] voolt - vouwt [foolt] vooltien - veulentje [fooltyn] voolties - veulentjes [fooltys] vörke - vork [fo6rke1] vörkien - vorkje [fo6rkyn] vorlik - voorlijk [fo1rle1k] vorliker - voorlijker [fo1rle1ke1r] vorrel - kwartier v.uier[fo1re1l] vorrelsjaor - kwartaal [fo1re1lsjo2r] vost - vorst [fo1st] vostelik - vorstelijk [fo1ste1le1k] vot - weg #[fo1t] votdaoliks - onmiddelijk #[fotdo3le1ks] votendaolik - onmiddelijk [fotndo3le1ks] votglieden - wegglijden [fotchlydn] votmaeken - voortmaken #[fo1tme7kng] votvlochten - wegvluchten [fotflochtn] vracht - [fracht] vrachien - vrachtje [frachyn] vragt - vraagt [fracht] vraog - vraag ~ik;~ie[fro3ch] vraogd - gevraagd [fro3cht] vraoge - vraag s.[fro3qe1] vraogen - vragen s.&v.[fro3qng] vrat - [frat] vreet - ![freet] vremd - vreemd [fremt] vremde - vreemde [fremde1] vreselike - vreselijke [freesle1ke1] vret - vreet [fret] vreten - [freetn] vreten - gevreten [freetn] vreug - vroeg prt.[freuch] vreugde - [freuqde1] vreugen - vroegen [freuqng] vreur - vroor [freor] vreuren - vroren [freorn] vreuren - gevroren [freorn] vriendin - [fryndin] vries - [frys] vrieskiste - vrieskist #[fryskiste1] vrieze - vries ik~[fryze1] vriezen - [fryzn] vriezend - [fryznt] vriezer - [fryzr] vri'j - vrij [frei] vri'jdagmiddag - vrijdagmiddag &frey#[freidaqmidach]] vri'je - vrije [freie1] vri'jen - vrijen [freidn] vri'jof - vrijaf #[freio1f] vri'jwat - vrijwat [freivat] vroeg - [fru1ch] vroege - [fru1qe1] vroeger - [fru1qe1r] vrommes - vrouwspersoon [frome1s] vrommesien - vrouwtje [frome1syn] vrommesies - vrouwtjes [frome1sys] vröst - vriest [fro6st] vrotten - wroeten [frotn] vrotteri'je - gezwoeg [frote1reie1] vrouw - [frau] vrouwelike - vrouwelijke [fraule1ke1] vrouwen - [fraudn] vrouwgien - vrouwtje [frauchyn] vrouwluden - vrouwen #[fraulu2dn] vrundelik - vriendelijk [fre1nde1lk] vrundschoppelik - vriendschappelijk [fre1ntskope1le1k] vufe - vijf [fu2fe1] vul - viel [fe1l] vule - veel [fu2le1] vule - voel ik~[fu3le1] vulen - voelen [fu3ldn] vullen - vielen [fe1ldn] vun - vond [fe1n] vunnen - vonden [fe1nn] vunnen - gevonden [fe1nn] vurige - [fuere1qe1] vusen - veel ~te[fu2sn] vuuf - vijf vóór woord[fu2f] vuufdes - ten vijfde [fu2vde1s] vuuftien - vijftien [fu2ftyn] vuuftig - vijftig [fu2fte1ch] vuuftiger - vijftiger [fu2fte1qe1r] vuul - voel ik~et[fu3l] vuulde - voelde [fu3lde1] vuult - voelt [fu3lt] vuur - [fuer] vuvendattig - vijfendertig [fu2bmdate1ch] vuventachtig - vijfentachtig [fu2bmtachte1ch] vuventwintig - vijfentwintig [fu2bmtvinte1ch] vuvenzestig - vijfenzestig [fu2bmseste1ch] vuvenzeuventig - vijfenzeventig [fu2bmso7bmte1ch] W waarme - warme [vaarme1] waachten - wachten [vaachtn] waachtte - wachtte [vaachte1] waaiers - [vaaie1rs] waarm - warm [vaarm] waarmte - warmte [vaarmte1] waarme - warme [vaarme1] waegen - wagen s.[ve7qng] waes - waas [ve7s] waeter - [ve7tr] waetergliebaene - waterglijbaan #[ve7trchlybe7ne1] waeterkenon - waterkanon [ve7trke1non] waeterleiding - waterleiding [ve7trleyding] waj' - wat je [vay] wa'k - wat ik [vak] wakker - [vakr] wakkere - [vake1re1] wal - [val] walge - walg ik~[valqe1] walgelike - walgelijke [valche1le1ke1] walgen - [valqng] wals - [vals] wanhopig - [vanhoope1ch] wanneer - [vanear] want - [vant] wantrouwen - v.#[vantraudn] waogen - wagen v.[vo3qng] waon - waan [vo3n] waopen - wapen [vo3pm] waor - waar adv&adj+~as[vo2r] waore - ware as 't~[vo2re1] waorhied - waarheid [vo2rhyt] waorlik - waarlijk [vo2rle1k] waoromme - waarom [vo2rome1] waorschouwde - waarschuwde #[vo2rskaude1] waorschienlik - waarschijnlijk [vo2rskynle1k] waortegen - waartegen [vo2teeqng] waorzegger - waarzegger [vo2rseqr] wapperen - [vape1rn] wapsetaille - wepsentaille [vapse1taie1] wark - werk [vark] warken - werken [varkng] warkie - werkje [varky] warkkaemer - werkkamer #[varke7mr] warklust - werklust [varkle1st] warkt - werkt [varkt] warkte - werkte [varkte1] warre - war in de~[vare1] was - [vas] was - groei[vas] washaantien - washandje #[vashaantyn] wask - was reinigen[vask] waske - was ik~;reinigen[vaske1] wasken - wassen reinigen[vaskng] waskt - wast reinigen[vaskt] wasmaand - wasmand [vasmaant] wasmesiene - wasmachine [vasme1syne1] wasse - was ik~;groei[vase1] wassen - groeien[vasn] wassen - gewassen gegroeid[vasn] wast - groeit[vast] wat - [vat] wawwe - wat we [vave1] we - [ve1] wedded - gewed [vede1t] wedders - s.pl.[vedrs] wedevrouw - weduwe #[veede1frau] wedstried - wedstrijd [vetstryt] weeg - [veech] weegt - [veecht] weej' - weet je #[veej] weej'm - weten jullie [veejm] wee'k - weet ik [veik] week - v.[veek] de aandere weeks - de volgende week [veeks] Weembos - #[veembos] weenske - wens ik~[vein1ske1] weensken - wensen #[veen1skng] weenskt - wenst [vein1skt] weenskte - wenste [vein1skte1] weenst - winst [vein1st] weer - adv.[vear] weer - s.[vear] weerberhied - weerbaarheid [vearbrhyt] weerd - waard adj[veat] weerde - waarde [vearde1] weerden - waarden [veadn] weerdighied - waardigheid [veade1chhyt] weeromme - terug [vearome1] weerommereize - terugreis #[vearome1reyze1] weerskaanten - weerskanten [vearskaantn] weerstaand - weerstand [vearstaant] wees - !&prt.[vees] weet - [veet] weewe - weten wij [veeve1] weg - adv[vech] weg - vandaan onder~/veur~/uut~[vech] wege - weg uut de~[veeqe1] wege - weeg ik~[veeqe1] wegen - [veeqng] weghaeld - weggehaald #[vechhe7lt] weghaelt - weghaalt [vechhe7lt] wegkommen - vandaankomen [vechkomm] wegmaekt - onder narcose gebracht [vechme7kt] weidet - weidt [veyde1t] weinig - [veyne1ch] weke - week [veeke1] weke - week [veeke1] wekeliks - wekelijks [veeke1le1ks] weken - pl.s.&prt.[veekng] weken - geweken [veekng] wekies - weekjes [veekys] wekker - [vekr] wekkertyn - wekkertje [vekrtyn] wel - [vel] weliswaor - weliswaar [velisvo2r] welke - &hokken[velke1] wellegien - bronnetje [vele1chyn`] wellust - [vele1st] wellustig - #[vele1ste1ch] wellustige - [vele1ste1qe1] welnee - [velnee] wen - [ven] wend - gewend [vent] werachies - warempel [ve1rachys] wereld - [vearlt] wereldwied - wereldwijd [vearltvyt] weren - waren pret.[vearn] weren - was ie~[vearn] west - geweest [vest] west - [vest] westvierdepattien - westvierdedeeltje [vestfierde1patyn] wet - weet hij~[vet] wet - weet [vet] wete - weet ik~;&ei[veete1] weten - &ei[veetn] weten - geweten [veetn] wetenschop - wetenschap [veetnskop] wetten - [vetn] weug - woog [vo7ch] weugen - wogen [vo7qng] weugen - gewogen [vo7qng] wezen - zijn inf.;&dn[veezn] wezen - prt.[veezn] wezen - gewezen [veezn] wezens - [veezn1s] wichien - meisje klein~[vichyn] wichtige - belangrijke [vichte1qe1] wie - [vy] wied - wijd [vyt] Wiede - - et~van de Lende[vyde1] wieden - [vydn] wieder - verder [vydr] wiedeweergao - wiedeweerga [vyde1wearcho3] wief - wijf [vyf] wiefelde - wijfelde [vyflde1] wiefelt - wijfelt [vyflt] wiefien - wijfje [vyfyn] wiek - wijk [vyk] wiek - week adj.n.[viik] wieke - week adv.[vyke1] wieke - wijk ik~[vyke1] wiekels - vogels wakkere~[vykls] wieken - wijken [vykng] wielkerige - uitgedroogde [vylke1re1qe1] wiemelstatten - kwispelen [vymlstatn] wien - wind [vyn] wiend - wind [vynt] wiendeier - windeieren #[vyndeye1r] wienderig - winderig [vynde1re1ch] wienderige - winderige [vynde1re1qe1] wiene - wind ik~[vyne1] wienen - winden [vynn] wies - wijs adj.&v.[vys] wies - ingenomen ~mit/~op[vys] wiet - weet ~hoe[vyt] wieven - wijven [vyvn] wieze - wijze s.[vyze1] wieze - wijs ik~[vyze1] wiezeboom - weesboom op hooiwagen[viize1boom] wiezen - wijzen [vyzn] wiezerties - wijzertjes [vyzrtys] wi'j - wij [vei] wi'jen - waaien [veidn] wi'jt - waait [veit] wi'k - wil ik [vik] wil - vil [vil] wild - adv.[vilt] wild - gewild part.[vilt] wilde - [vilde1] wildeboel - [vilde1buul] wildeman - [vilde1man] wilder - [vildr] wildste - [vilste1] wildwaeterkreek - wildwaterkreek [viltve7trkreek] wille - plezier de~[vile1] willen - [vildn] wimpelde - [vimplde1] wimpers - [vimprs] win - [vin] wink - wenk gien~in de ogen[vingk] winke - wenk ik~[vingke1] winkel - [vingkl] winkelhaoken - winkelhaken [vingklho3kng] winkelman - kruidenier kruidenier[vingklman] winken - wenken [vingkng] winne - win ik~[vine1] winnen - [vinn] winnende - [vinnde1] winner - winnaar [vine1r] wint - [vint] wint - windt [vint] winter - [vintr] wippen - [vipm] wist - wijst [vist] wisse - zeker adv.[vise1] wist - [vist] wit - [vit] witte - [vite1] wiwwe - willen we [vive1] wodde - werd [vo1de1] wodden - omdaj'~[vo1nn] wodden - werden [vo1nn] wodden - geworden [vo1nn] wo'n - worden [vo1n] woddend - wordend [vo1nnt] wodt - wordt [vo1t] woensdagaovend - woensdagavond [vuun1zdaqo3vnt] woeps - [vu1ps] woest - [vu1st] woeste - [vu1ste1] woesteling - [vu1ste1ling] woj' - word je [voi] woj'm - worden jullie [voim] wo'k - word ik [vo1k] wol - wou wilde[vol] wolkens - wolkens [volkngs] wolle - wol onder de~[vole1] wollen - wilden [voln] wollen - adj.[voln] Wolvege - Wolvega [volve1qe1] wo'n - worden ~ze[vonn] wonde - wond [vonde1] wonder - [vonde1r] wonderbaerlike - wonderbaarlijke &o2r[vonde1rbe2rle1ke1] wondere - [vonde1re1] wonen - [voonn] wonk - wenkte [vongk] wonken - wenkten [vongkng] wonken - gewenkt [vongkng] woond - gewoond [voont] woonde - [voonde1] woonden - [voondn] woont - [voont] woord - [voat] woordeboek - woordenboek [voarde1bu1k] woorden - [voardn] woortien - woordje [voatyn] woorties - woordjes [voatys] wor - word ![vo1r] wost - worst [vo1st] wowwe - worden wij [vo1ve1] wrange - wrang adv.[vrange1] wrede - [vreede1] wreef - [vreef] wreven - [vreebm] wreven - gewreven [vreebm] wrief - wrijf [vriif] wrieve - wrijf ik~[vriive1] wrieven - wrijven [vriibm] wrift - wrijft [vrift] wring - [vring] wringe - wring ik~[vringe1] wringen - [vringng] wringt - [vringt] wrong - [vrong] wrongen - [vrongng] wrongen - gewrongen [vrongng] wuft - [ve1ft] wun - won [ve1n] wun - wond [ve1n] wunnen - gewonnen [ve1nn] wunnen - wonden [ve1nn] wunnen - gewonden [ve1nn] wus - wist [ve1s] wussen - wisten [ve1sn] wusk - waste [ve1sk] wussen - wisten [ve1sn] Z zaacht - zacht [saacht] zaachtaordig - zaachtaordig [saachto2re1ch] zaachte - zacht [saachte1] zaai - [saai] zaaide - smeet [saayde1] zaait - [saait] zaandbult - zandbult [saandbe1lt] zachiesan - zachtjesaan [sachysan] zaeke - zaak [se7ke1] zaekeluden - zakenlieden #[se7ke1lu2dn] zaekevloggies - zakenvluchtjes [se7ke1flochys] zaekies - zaakjes [se7kje1s] zael - zaal [se7l] zaeltien - zaaltje [se7ltyn] zag - [sach] zaggen - zagen [saqn] zak - [sak] zakkebaande - sjokte [sake1baande] zakken - v.&s.pl.[sakng] zal - &[sal] zalig - [saale1ch] zangers - [sangrs] zaod - zaad [so3t] zaoterdag - zaterdag [so3trdach] zat - [sat] zatten - zaten [satn] ze - &[se1] zeden - zeiden [seedn] zee - [sei] zee - zei [sei] zeej'm - zeiden jullie [seeje1m] zeer - [sear] zeerkel - kleinzerig [searke1l] zeg - ~ik;[sech] zegd - gezegd [secht] zegelties - zegeltjes [seeqltys] zegen - [seeqng] zegge - zeg ik~;[seqe1] zeggen - [sengng] zeggien - zegje [sechyn] zegt - &[secht] zeil - [seyl] zeker - [seikr] zekere - [seike1re1] zekerhied - zekerheid #[seekrhyt] zelde - zelfde [selde1] zelden - [seldn] zeldens - zelden [seldns] zels - zelf [sels] zels - zelfs [sels] zelsmoord - zelfmoord #[selsmoart] zelsstaandig - zelfstandig [selstaande1ch] zending - [sending] zenuwen - [seinu2we1n] zes - [ses] zesdes - ten zesde [sezde1s] zesse - zes tijd[sese1] zestien - [sestyn] zestig - [seste1ch] zet - [set] zet - gezet [set] zeten - gezeten [seetn] zetten - [setn] zettien - zetje [setyn] zeug - zoog [so7ch] zeugen - zogen [so7qng] zeugen - gezogen [so7qng] zeune - zoon [so7ne1] zeup - zoop [so7p] zeupen - zopen [so7pm] zeupen - gezopen [so7pm] zeurpoede - zeurpiet [seorpu1de1] zeurt - [seort] zeuven - zeven n.;s;&e1[so7bm] zeuventien - zeventien [so7bmtyn] zeuventig - zeventig s.[so7bmte1ch] zicht - ziet [sicht] zie - [sy] zied - zij s.[syt] ziej' - zie je [syj] ziej'm - zien jullie [syje1m] ziej't - zie je het [syje1t] zie'k - zie ik [syk] zieke - [syke1] ziekenhuus - ziekenhuis [syknghu2s] ziekte - [sykte1] zien - v.[syn] zien - gezien [syn] zien - zijn pron.[syn] zienes - het zijne [syne1s] ziepe - zeep [siipe1] zi'j - zij [sei] zi'jen - zaaien [seidn] zi'jzels - zijzelf [seizels] zille - gareel [sile1] zin - in de~[sin] zin - opzet mit~[sin] zing - [sing] zinge - zing ik~[singe1] zingen - [singng] zingt - [singt] zink - [singk] zinke - zink ik~[singke1] zinken - [singkng] zinnegien - zinnetje [sine1chyn] zinnegies - zinnetjes [sine1chys] zinnen - zien~;regel[sinn] zinnig - kieskeurig [sine1ch] zinnigde - stond aan ~him[sine1qde1] zinnigs - [sine1chs] zit - [sit] zitte - zit ik~[site1] zitten - [sitn] zittien - zitje [sityn] zo - &ou[soo] zoal - #[sooal] zoas - zoals #[sooas] zocht - zoekt [so1cht] zocht - gezocht [so1cht] zochte - zocht [so1chte1] zochten - [so1chtn] zochtende - zuchtend [so1chtnde1] zodaj'm - zodat jullie [sodaje1m] zodat - [soodat] zodde - drijftil [sode1] zodoende - [soodu1nde1] zoeg - zuig [suuch] zoege - zuig ik~[suuqe1] zoegen - zuigen [suuqng] zoegepappe - kamperfoelie [suuqe1pape1] zoemer - zomer [su1me1r] zoemerdag - zomerdag [su1me1rdach] zoemers - zomers [su1me1rs] zoemerse - [su1me1rse1] zoemerspeulen - zomerspelen [su1me1rspo7ldn] zoe'n - zo'n &zon[suun] zoen - zo'n [suun] zoenend - zo een [suunnt] zoep - zuip ~ie[su1p] zoepe - zuip ik~[su1pe1] zoepen - zuipen [su1pm] zoer - zuur [soer] zoerkool - zuurkool [soerkool] zoerproemen - zuurpruimen [soerpru1mm] zoerstip - zure saus [soerstip] zog - moedermelk[so1ch] zogt - zuigt [socht] zoj' - zou je &zau[soi] zoj't - zou je het &zau[soie1t] zo'k - zou ik [so1k] zok - zulk [sok] zokke - zulke [soke1] zokrek - zonet [sookrek] zoks - zoiets [soks] zol - zou &o[so1l] zolange - zolang [soolange1] zollen - zouden [so1ln] zolt - zout [so1lt] zomar - zomaar #[soomar] zompige - drassige [sompe1qe1] zonder - [sondr] zong - [song] zongen - [songng] zongen - gezongen [songng] zonk - [songk] zonken - [songkng] zonken - gezonken [songkng] zoolt - zout [soolt] zooltene - zoute [soolte1ne1] zooltzakken - zoutzakken [sooltzakng] zopt - zuipt [sopt] zorg - [so1rch] zorgen - [so1rqng] zorgzem - zorgzaam [so1rchse1m] zoveer - zover [soofear] zoveul - zoveel [soofo7l] zoveulste - zoveelste [soofo7lste1] zovule - zoveel &so[soofu2le1] zovuulste - zooveelste [soofu2lste1] zowat - [soovat] zowied - zover ~wezen[soowyt] zowwe - zouden we &ze1?[so1ve1] Zuderzee - Zuiderzee [su2drzee] zuj' - zul je [se1j] zuj'm - zullen jullie [se1ym] zuke - zoek ik~[su2ke1] zuken - zoeken [su2kng] zul - pampus veur 't~liggen[se1l] zul - ~ie[se1l] zuld - gezuld [se1lt] zullen - [se1ldn] zulver - zilver [se1lve1r] zulveren - zilveren [se1lve1rn] zundag - zondag #[se1ndach] zundig - zondig [se1nde1ch] zundige - zondige [se1nde1qe1] zunig - zuinig [su2ne1ch] zunne - zon [se1ne1] zunnige - zonnige [se1ne1qe1] zuster - [se1str] zusters - [se1strs] zuud - zuid [su2t] zuuk - zoek [su2k] zuver - zuiver bijna[su2ve1r] zuwwe - zullen wij [se1ve1] zwaai - [svaai] zwaaien - [svaaidn] zwaarm - zwerm [svaarm] zwaarm huden - helpen bij bevalling #[svaarmhu2dn] zwak - [svak] zwalkerslietien - zwerversliedje [svalke1rsliityn] zwaoger - zwager [svo3qr] zwaor - zwaar [svo2r] zwaore - zware [svo2re1] zwaorigheden - moeilijkheden [svo2re1chheedn] zwaorighied - moeilijkheid zwarigheid[svo2re1chhyt] zwarf - zwerf [svarf] zwarft - zwerft [svarft] zwarve - zwerf ik~[svarve1] zwarven - zwerven [svarbm] zwat - zwart [svat] zwatte - zwarte [svate1] zweeg - [sveech] zwegen - [sveeqng] zwegen - gezwegen [sveeqng] zweer - ~ie[svear] zwem - [svem] zwemme - ik~ [sveme1] zwemmen - [svemm] zwemt - [svemt] zwieg - zwijg [svych] zwiege - zwijg ik~[svyqe1] zwiegen - zwijgen [svyqng] zwiegt - zwijgt [svycht] zwiepen - zwepen ~op[svypm] zwieper - zwaai krigt een~[svype1r] zwier - an de~[svier] zwiet - zweet [sviit] zwiet - gezweten [sviit] zwiete - zweet ik~[sviite1] zwieten - zweten [sviitn] zwiette - zweette [sviite1] zwietten - zweetten [sviitn] zwik - [svik] zwikkien - zwikje [svikyn] zwoel - [svu1l] zwöl - zwel [svo6l] zwöld - gezwollen [svo6lt] zwölde - zwol [svo6lde1] zwölden - zwollen [svo6lde1n] zwölle - zwel ik~[svo6le1] zwöllen - zwellen [svo6ldn] zwölt - zwelt [svo6lt] zwom - [svom] zwommen - [svomm] zwommen - gezwommen [svomm] zwurf - zwierf [sve1rf] zwurven - zwierven [sve1rbm] zwurven - gezworven [sve1rbm] Stelwb.txt is ANSI-bestaand Stelwb.dat uut Stel.dat bi'j Steldemo2.